Uitspraak Nº NL20.14588. Rechtbank Den Haag, 2020-07-28

Datum uitspraak:2020/07/28
Uitgevende instantie::Rechtbank Den Haag
 
GRATIS UITTREKSEL
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.14588

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen


[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1993 en van Wit-Russische nationaliteit, verzoekster,

V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. M.L. van Leer),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).


Procesverloop

Op 21 juli 2020 heeft verweerder aan verzoekster kenbaar gemaakt dat zij op 29 juli 2020 aan de Spaanse autoriteiten zal worden overgedragen.

Verzoekster heeft op 24 juli 2020 bezwaar gemaakt tegen deze voorgenomen overdracht aan Spanje en tevens de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorziening te treffen met als doel de feitelijke overdracht te voorkomen.

Verweerder heeft op 27 juli 2020 een verweerschrift ingediend. Daarop heeft verzoekster op dezelfde datum een reactie ingebracht.

De voorzieningenrechter heeft op 28 juli 2020 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, Awb kan de voorzieningenrechter, indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder zitting. De voorzieningenrechter acht in dit geval termen aanwezig om van vorenbedoelde bevoegdheid gebruik te maken. Immers, verweerder heeft verzoekster meegedeeld dat zij op 29 juli 2020 om 9:15 uur zal uitgezet naar Spanje. Verzoekster heeft daarom een spoedeisend belang bij de verzochte voorziening

3. Getoetst moet worden of de uitzetting verboden moet worden omdat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.

4. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Uit het Visuminformatiesysteem van de Europese Unie (EU-Vis) is gebleken dat verzoekster op 26 februari 2019 door de buitenlandse vertegenwoordiging van Spanje in Moskou te Rusland in het bezit is gesteld van een (Schengen)visum, dat geldig was van 28 februari 2019 tot 27 februari 2020 (behorend bij paspoortnummer [nummer] ). Verzoekster is op 5 maart 2019 Duitsland binnengekomen, alwaar zij zoals uit Eurodac (Europese Dactyloscopie) is gebleken op 7 maart 2019 een asielverzoek heeft ingediend. Op 29 maart 2019 is een claimakkoord tussen Spanje en Duitsland tot stand gekomen. Verzoekster is op 17 april 2019 met onbekende bestemming uit Duitsland vertrokken en heeft op 2 november 2019 een asielverzoek in Nederland ingediend. Verweerder heeft op 7 januari 2019 de Spaanse autoriteiten gevraagd om verzoekster over te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Dublinverordening (Vo 604/2013). De autoriteiten van Spanje hebben dit claimverzoek op 4 februari 2020 afgewezen omdat het verzoek onvolledig was. Daarbij hebben de Spaanse autoriteiten – teneinde eventuele familieleden bij elkaar te houden – verzocht om informatie over de (gestelde) echtgenoot van verzoekster, [naam] , geboren op [geboortedatum] 1984 en van Russische nationaliteit (V-nummer: [V-nummer] ). Op 6 februari 2020 heeft verweerder de autoriteiten van Spanje verzocht om het overnameverzoek te heroverwegen. Daarbij heeft verweerder de Spaanse autoriteiten gewezen op het feit dat op 23 december 2019 de Duitse autoriteiten is verzocht om verzoekster en haar gestelde echtgenoot terug te nemen op grond van de Dublinverordening en dat de autoriteiten van Duitsland het terugnameverzoek van de gestelde echtgenoot van verzoekster hebben geaccordeerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening maar dat de Duitse autoriteiten het terugnameverzoek voor verzoekster hebben afgewezen omdat zij hebben vastgesteld dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek. Vervolgens hebben de Spaanse autoriteiten op 7 februari 2020 middels een claimakkoord op grond van artikel 12, vierde lid, Dublinverordening ingestemd met het overnameverzoek van verzoekster. Bij besluit van 20 februari 2020 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Het hiertegen door verzoekster ingestelde beroep van 21 februari 2020 is bij mondelinge uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 3 juli 2020 (NL20.4664) ongegrond verklaard. Nu verzoekster hiertegen niet in hoger beroep is gegaan is deze uitspraak in rechte komen vast te staan. Tegen de voorgenomen feitelijke overdracht naar Spanje op 29 juli 2020 om 09:15 uur (vluchtnummer KL1701) heeft verzoekster op 24 juli 2020 bezwaar gemaakt en...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT