Uitspraak Nº NL20.7387. Rechtbank Den Haag, 2020-04-10

Datum uitspraak:2020/04/10
Uitgevende instantie::Rechtbank Den Haag
 
GRATIS UITTREKSEL
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.7387


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P.J. Schüller),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Berk).

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder eiser een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft partijen op 31 maart 2020 in verband met de ontwikkelingen rondom het coronavirus gevraagd om de beroepsgronden en het verweer zoveel mogelijk schriftelijk in te dienen. Daarnaast heeft de rechtbank partijen gevraagd te laten weten of zij de zaak schriftelijk of via een telefonische verbinding willen laten behandelen.

Eiser heeft op 2 april 2020 de beroepsgronden ingediend.

Verweerder heeft op 3 april 2020 een reactie op de beroepsgronden ingediend.

De rechtbank heeft de gemachtigden op 6 april 2020 telefonisch gehoord. De rechtbank heeft het onderzoek daarna gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Colombiaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] .

2. Eiser voert allereerst aan dat de rechtbank eiser op grond van artikel 94, vierde lid, van de Vw had moeten horen. Het niet horen van eiser is in strijd met de artikelen 5 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). De maatregelen die zijn genomen ten aanzien van het coronavirus, bieden geen rechtvaardiging om eiser het fundamentele recht om te worden gehoord over zijn bewaring te ontzeggen. Indien zou blijken dat het in verband met de maatregelen niet mogelijk is om een persoon te horen, dan dient te worden nagegaan of er andere praktische oplossingen zijn, waaronder de mogelijkheid om eiser te horen via een telehoor-verbinding.

2.1

De rechtbank heeft in dit geval afgezien van het horen van eiser, hoewel dat op grond van artikel 94, vierde lid, van de Vw is voorgeschreven. De reden daarvoor is dat op dit moment het horen van een vreemdeling in persoon of via een telehoor-verbinding in technische en praktische zin vanwege ontbrekende capaciteit (bijna) onmogelijk en verder ook onwenselijk is, gelet op alle maatregelen die de overheid heeft getroffen in verband met het tegengaan van de verdere verspreiding van het coronavirus en het dringende advies tot het bewaren van onderlinge afstand (social distancing) dat ook de rechtbank, de betreffende detentie-instelling en de verder betrokken personen, waaronder de tolk, in acht moeten nemen. In dit geval heeft de rechtbank besloten de gemachtigden telefonisch te horen via een conference call. De gemachtigde van eiser heeft zich er uitdrukkelijk tegen verzet dat eiser niet zelf wordt gehoord.

2.2

De Afdeling bestuursrechtspaak van de Raad van State (de Afdeling) heeft recentelijk op 7 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:991, uitspraak gedaan over de vraag of het recht van de vreemdeling om te worden gehoord door behandeling van zijn beroep op (onder meer) de wijze waarop dat in deze zaak is gebeurd, is geschonden.

De Afdeling overweegt dat in artikel 94, vierde lid, van de Vw is geregeld dat de rechtbank een vreemdeling oproept om ‘in persoon dan wel in persoon of bij raadsman’ te verschijnen om te worden gehoord en dat dit voorschrift zich direct richt tot de rechtbank en een uitwerking is van artikel 15, tweede lid, van de Grondwet, artikel 5, vierde lid, van het EVRM en artikel 6 van het Handvest. Het recht om te worden gehoord is een fundamenteel onderdeel van de mogelijkheden die de vreemdeling heeft om zijn inbewaringstelling te bestrijden. Maar het grondrecht om te worden gehoord is niet absoluut. Er zijn omstandigheden, zoals de uitzonderlijke maatregelen die in Nederland zijn genomen in het kader van de bestrijding van de uitbraak van het coronavirus, waaronder beperkingen toelaatbaar zijn en naar een alternatief mag worden gezocht voor de manier om bewaringszaken te behandelen.

2.3

De Afdeling heeft ten aanzien van de situatie zoals die zich voordoet in deze zaak, waarin de gemachtigde van de vreemdeling onder opgave van redenen geen afstand doet van het recht van de vreemdeling om zelf door de rechtbank te worden gehoord, in rechtsoverweging 7 en verder bepaald dat de rechtbank zich zo veel mogelijk moet inspannen om de vreemdeling de mogelijkheid te bieden om in persoon de rechtbank te woord te staan. Ten eerste moet de rechtbank onderzoeken of horen via videoconferentie in dit geval niet toch mogelijk kan worden gemaakt. Daarbij spelen de omstandigheden en beschikbaarheid van de faciliteiten in het detentiecentrum een rol. Als blijkt dat een videoconferentie niet tot de mogelijkheden behoort, moet de rechtbank ten tweede onderzoeken of de vreemdeling met een...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT