Uitspraak Nº PIJ P20/0136. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 2020-07-30

Datum uitspraak:30 juli 2020
Uitgevende instantie::Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
 
GRATIS UITTREKSEL

PIJ P20/0136

Beslissing d.d. 30 juli 2020

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[jeugdige] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

ingeschreven op het adres [woonplaats] .

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 9 april 2020, houdende verlenging van de termijn van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: de maatregel) met een termijn van een jaar en een aanvulling van de bijzondere voorwaarden.

Het hof heeft gelet op de stukken genoemd in de tussenbeslissing van 25 juni 2020 en op het proces-verbaal van de zitting van het hof van 11 juni 2020.

Het hof heeft ter zitting van 11 juni 2020 gehoord de jeugdige, bijgestaan door zijn raadsman mr. B.J. de Bruijn, advocaat te ’s-Gravenhage, en de advocaat-generaal, mr. L.H.J. Vijlbrief-Smit. Op die zitting heeft het hof tevens als deskundige gehoord S. Emmerich, reclasseringswerker. Het hof heeft bij tussenarrest van 25 juni het onderzoek heropend. Het hof heeft ter zitting van 16 juli 2020 gehoord de raadsman en de advocaat-generaal voornoemd.

Overwegingen

In de tussenbeslissing van 25 juni 2020 heeft het hof de vraag gesteld of een beslissing tot verlenging van de proeftijd die is verbonden aan de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel, nog kan worden gegeven na afloop van die proeftijd. Het hof heeft het onderzoek heropend om partijen gelegenheid te geven hierover een standpunt in te nemen.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Hier is sprake van een lacune in de wet. Uit contacten met de afdeling wetgeving van het ministerie van Justitie en Veiligheid is gebleken dat het geen bewuste keuze van de wetgever is geweest om in deze gevallen niet artikel 6:6:11, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van overeenkomstige toepassing te verklaren. Deze laatste wetsbepaling regelt dat een maatregel van kracht blijft totdat onherroepelijk is beslist over de vordering tot verlenging daarvan. Deze lacune in de wet is ongewenst omdat het daardoor niet goed mogelijk is een verlenging van de proeftijd te bewerkstelligen. Vorderingen tot verlenging dienen in dat geval, in verband met de behandeling door de rechtbank en een eventueel volgend hoger beroep bij het hof, lang voor het einde van de proeftijd te worden ingediend, waarbij de tijdige...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT