Uitspraak Nº UTR 18/2679. Rechtbank Midden-Nederland, 2019-01-22

Datum uitspraak:22 januari 2019
Uitgevende instantie::Rechtbank Midden-Nederland
 
GRATIS UITTREKSEL
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/2679

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2019 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. O.O. van der Lee),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren, verweerder

(gemachtigde: J. van Dijk).

Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2018 (dwangsombesluit) heeft verweerder eiser een last onder dwangsom opgelegd.

Bij besluit van 13 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 16 mei 2018 (het invorderingsbesluit) heeft verweerder een dwangsom ingevorderd van € 2.500,-.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Last onder dwangsom

1. Eiser is op 17 december 2017 door de politie aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 2:44 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Gooise Meren (APV). Verweerder heeft daarom aan eiser een last onder dwangsom opgelegd. Eiser is gelast de overtreding te staken en blijvend gestaakt te houden, bij gebreke waarvan een dwangsom van € 2.500,- per overtreding verschuldigd is, met een maximum van

€ 10.000,-.

2. Eiser voert aan dat het doorzoeken van het voertuig op onrechtmatige wijze is gebeurd. Artikel 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ziet alleen op het onderzoeken van een voertuig, niet op het doorzoeken ervan.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het voertuig is onderzocht op grond van artikel 5:19 van de Awb. De politieambtenaar heeft als toezichthouder niet onrechtmatig gehandeld. Het bewijs heeft verweerder mogen gebruiken bij de beoordeling of sprake was van een overtreding van artikel 2:44 van de APV, zo stelt verweerder.

4. Uit de bestuurlijke rapportage van 17 december 2017 blijkt dat de politie op

17 december 2017 omstreeks 02.35 uur in [woonplaats] een personenauto zag rijden die op naam stond van een bekende woninginbreker. Hierop besloot de politie het voertuig te controleren, op grond van de APV. Eiser zat als bijrijder in het voertuig en bleek...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT