Uitspraak Nº UTR 20/2416. Rechtbank Midden-Nederland, 2020-07-30

Datum uitspraak:2020/07/30
Uitgevende instantie::Rechtbank Midden-Nederland
 
GRATIS UITTREKSEL
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/2416

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juli 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker 1] B.V. en [verzoeker 2] B.V., te [vestigingsplaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. M.A.M. Wagemakers),

en

de burgemeester van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. H.A. Bijkerk).

Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) de aanvraag voor verlengingen van de aanwezigheidsvergunningen voor [verzoeker 1] B.V. en [verzoeker 2] B.V. geweigerd en de exploitatievergunningen voor deze ondernemingen ingetrokken.

Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2020. Verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door [A] en [B] , bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde,

mr. [C] en [D] .

Overwegingen

1. Indien tegen een besluit beroep is in gesteld of bezwaar is gemaakt kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Spoedeisend belang

2. Verzoekers hebben aangevoerd dat het spoedeisend belang daarin is gelegen dat zij als gevolg van de geweigerde en ingetrokken vergunningen hun bedrijf niet kunnen exploiteren en dat zij daardoor inkomsten missen en uiteindelijk zullen failleren. Zij hebben ter onderbouwing een tweetal verklaringen van 29 juni 2020 en 6 juli 2020 van de heer [E] , senior manager belastingadvies bij [naam] , overgelegd. Deze heeft verklaard dat de vaste lasten in de vorm van personeelskosten, huisvestingskosten en overige bedrijfskosten niet meer worden gedekt nu de amusementshallen op 1 juli niet open konden. Volgens de heer [E] zal dit op termijn het faillissement van de ondernemingen tot gevolg hebben. Ook heeft hij verklaard dat er een groot risico is dat vaste klanten bij het gesloten blijven van de amusementshallen van [verzoeker 2] B.V. naar de concurrent zullen gaan en naar verwachting niet terug zullen komen. Ter zitting heeft [B] dit nader toegelicht. Hij gaf aan dat hij afhankelijk van de uitkomst van deze procedure vijftien personeelsleden moet ontslaan, dat [verzoeker 1] B.V. er al financieel slecht voor stond en dat uit de amusementshallen van [verzoeker 2] B.V. de meeste inkomsten komen. Verder heeft hij toegelicht dat hij vreest dat de vaste klanten naar andere amusementshallen gaan die een luxere entourage hebben, daar gewend aan raken en dan vervolgens niet meer terugkomen.

Hoewel het spoedeisend belang in het geval van gestelde dreigende financiële problemen onderbouwd dient te worden met stukken waaruit een acute financiële noodsituatie dient te volgen, neemt de voorzieningenrechter in dit geval, vanwege de toelichting ter zitting en de overgelegde verklaringen in onderlinge samenhang bezien, spoedeisend belang aan. De voorzieningenrechter acht hierbij ook van belang dat verweerder in het geheel geen inzicht heeft gegeven wanneer er een beslissing op bezwaar zal worden genomen. Ter zitting heeft verweerder ook aangegeven dat er nog geen hoorzitting is gepland. Nu het spoedeisend belang is aangenomen beoordeelt de voorzieningenrechter aan de hand van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel of het bezwaar redelijke kans van slagen heeft en vervolgens of een voorlopige voorziening getroffen moet worden.

Feiten

3. [BV] B.V. is sinds 17 april 2001 bestuurder en enig aandeelhouder van [verzoeker 1] en sinds 22 augustus 2007 bestuurder en enig aandeelhouder van [verzoeker 2] B.V.. [A] is voor zijn ondernemingen al 40 jaar actief in de kansspelbranche. Sinds de regulering van de kansspelen heeft hij een aanwezigheids- en exploitatievergunning voor [verzoeker 1] B.V. en [verzoeker 2] B.V. gekregen. Elk jaar verzoeken verzoekers om verlenging van die vergunningen. Op 29 april 2019 heeft [A] namens verzoekers een aanvraag ingediend voor verlenging van de aanwezigheidsvergunningen.

4. Verweerder heeft de aanwezigheidsvergunningen geweigerd en de exploitatievergunningen ingetrokken bij besluit van 16 juni 2020 omdat er volgens verweerder een ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen mede gebruikt zullen worden om strafbare feiten te plegen en omdat feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de vergunningen een strafbaar feit is gepleegd. Dit heeft verweerder gebaseerd op twee uitgebrachte adviezen van het Landelijk Bureau Bibob (LBB) van 31 oktober 2019, met de daarin verwerkte aanvullende adviezen van

21 januari 2020 en 28 februari 2020. Uit de adviezen blijkt dat er een ernstig vermoeden is dat [BV] B.V. niet heeft voldaan aan de administratie- en bewaarplicht in de jaren 2013, 2014 en 2015. Ook is er een ernstig vermoeden dat [BV] B.V. loonbelasting in de jaren 2009 tot en met 2013 niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de gestelde termijn heeft betaald. Daarnaast volgt uit de adviezen dat er een ernstig vermoeden is dat [A] op 18 juni 2019 ter verkrijging van de aangevraagde aanwezigheidsvergunningen, valsheid in geschrifte heeft gepleegd door de Bibob-vragenformulieren niet naar waarheid in te vullen.

Standpunten verzoekers

5. Verzoekers betwisten (kort samengevat) de door het LBB aangenomen ernstige vermoedens van strafbare feiten. Volgens verzoekers is namelijk ten onrechte een verwijt gemaakt dat niet is voldaan aan de administratie- en bewaarplicht. Voor de bewaarplicht gelden geen wettelijke vereisten. De Belastingdienst heeft een informatiebeschikking ingetrokken, waardoor vaststaat dat de administratie wel op orde is. In dit kader is het ook...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT