Besluit van 5 december 2006 tot uitvoering en vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet inburgering (Besluit inburgering)

 
INDEX
GRATIS UITTREKSEL

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Jaargang 2006

645

Besluit van 5 december 2006 tot uitvoering en vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet inburgering (Besluit inburgering)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 10 juli 2006, Directie Wetgeving, nr. 5430382/06/6;

Gelet op de artikelen 3, tweede en derde lid, 5, eerste lid, onderdeel c, derde en vierde lid, 6, tweede lid, onderdeel b, 7, tweede lid, 13, vierde lid, 15, vierde, vijfde en zesde lid, 16, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 18, eerste, derde en vierde lid, 19, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, 23, vijfde lid, 28, 31, derde lid, 47, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, 48, tweede lid, onderdelen a en b, en derde lid, 52, derde lid, 64, vierde lid, en 73 van de Wet inburgering en de artikelen 16a, tweede lid, 21, zesde lid, en 34, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, de artikelen 64, negende lid, en 67, derde lid, van de Wet werk en bijstand en artikel 17, derde lid, van de Financiële-verhoudingswet;

De Raad van State gehoord (advies van 23 oktober 2006, nr. W03.06.0323/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 1 december 2006, Directie Wetgeving, nr. 5451387/06/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1 BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

Artikel 1.1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. wet: de Wet inburgering; b. inburgeringsdiploma: het diploma, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de wet; c. Kwaliteitscentrum examinering inburgering: de krachtens artikel 3.17, eerste lid, aangewezen rechtspersoon; d. onderzoek: het onderzoek, bedoeld in artikel 25 van de wet; e. Informatiesysteem Inburgering: het informatiesysteem, bedoeld in artikel 47 van de wet; f. Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen: het bestand, bedoeld in artikel 48 van de wet;

Staatsblad 2006 645 1

  1. potentiële inburgeringsplichtige: een persoon als bedoeld in artikel 48, eerste lid, tweede volzin, van de wet; h. rijksbijdrage: de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 52 van de wet; i. handhavingsbeschikking: de beschikking, bedoeld in artikel 26 van de wet, die niet tevens is gegeven op grond van artikel 22, tweede lid, van de wet; j. inburgeringsvoorziening: de inburgeringsvoorzieningen, bedoeld in hoofdstuk 5, paragraaf 2, van de wet, de Regeling inburgering allochtone vrouwen G31, de Regeling inburgering allochtone vrouwen niet-G31 en het extensieve deel van de Pilot inburgering allochtone vrouwen Taal Totaal; k. gecombineerde inburgeringsvoorziening: een inburgeringsvoorziening, gecombineerd met een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de wet; l. lening: de lening, bedoeld in artikel 16 van de wet; m. prognose: de opgave van het college met betrekking tot: 1°. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening zal vaststellen;

  1. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening zal vaststellen;

  2. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening zal vaststellen;

  3. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening zal vaststellen;

  4. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening zal vaststellen; n. budget: het budget dat in het jaar waarop de prognoses betrekking hebben beschikbaar is voor de verstrekking aan gemeenten van de voorschotten op het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdragen; o. inburgeringscursus: een door een cursusinstelling aangeboden cursus welke een inburgeringsplichtige in staat stelt mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving te verwerven, teneinde het inburgeringsexamen te behalen.

HOOFDSTUK 2 INBURGERINGSPLICHT

AFDELING 1. INBURGERINGSPLICHT

Artikel 2.1
  1. Het doel van het verblijf in Nederland van de houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 is tijdelijk in de zin van artikel 3, eerste lid,

Staatsblad 2006 645 2

onderdeel a, van de wet, indien die verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdend met: a. gezinsvorming of gezinshereniging met, dan wel verblijf als pleegkind

bij, een persoon die voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft; b. familiebezoek; c. het verrichten van arbeid; d. verblijf als kennismigrant; e. het zoeken en verrichten van arbeid; f. verblijf als stagiair of als practicant; g. de voorbereiding op of het volgen van een studie; h. verblijf als au pair; i. verblijf in het kader van uitwisseling; j. het ondergaan van medische behandeling of afwachten van herstel; k. de vervolging van mensenhandel; l. het afwachten van een verzoek op grond van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap; m. verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling; n. verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken. 2. Het doel van het verblijf van een houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, verleend onder een andere beperking dan bedoeld in het eerste lid, is tijdelijk in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet, indien zulks met toepassing van artikel 3.5, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 is bepaald. 3. Het doel van het verblijf van de houder van een verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 20, 28 en 33 van de Vreemdelingenwet 2000 is niet tijdelijk in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet. 4. Bij regeling van Onze Minister kunnen de beperkingen, bedoeld in het eerste lid, nader worden uitgewerkt.

Artikel 2.2
  1. De inburgeringsplicht eindigt niet, indien de vreemdeling direct aansluitend op de periode waarin hij op grond van artikel 3, eerste lid, van de wet inburgeringsplichtig was of op de termijn, bedoeld in artikel 3.82, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet 2000 heeft verkregen. In deze gevallen wordt de inburgeringsplicht tijdens de termijn, bedoeld in artikel 3.82, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, geacht niet te zijn geëindigd. 2. De inburgeringsplicht wordt geacht niet te zijn geëindigd, indien de vreemdeling tussen twee tijdvakken waarin hij op grond van artikel 3, eerste lid, van de wet inburgeringsplichtig was, gedurende een tijdvak van maximaal een jaar: a. geen ingezetene in de zin van de Wet gemeentelijke basis-administratie persoonsgegevens was; b. in Nederland verbleef voor een tijdelijk doel, of c. zijn werkzaamheden als geestelijke bedienaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de wet heeft onderbroken.

AFDELING 2. VRIJSTELLINGEN

Artikel 2.3
  1. Niet inburgeringsplichtig is degene die beschikt over: a. het inburgeringsdiploma;

Staatsblad 2006 645 3

  1. een op wettelijke basis uitgereikt diploma of getuigschrift van afronding van een opleiding van wetenschappelijk onderwijs, hoger beroepsonderwijs, algemeen voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs of leerlingwezen, na onderwijs te hebben gevolgd in de Nederlandse taal; c. een...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT