Wet van 11 juni 1998 tot wijziging van de Vreemdelingenwet

Wet van 11 juni 1998 tot wijziging van de Vreemdelingenwet

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Vreemdelingenwet op enkele onderdelen te wijzigen;Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Vreemdelingenwet1 wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid wordt, onder verlettering van onderdeel c tot d, een nieuw onderdeel c ingevoegd, luidende:

  1. De Koninklijke marechaussee; 2. In het tweede lid wordt de verwijzing naar de onderdelen b en c vervangen door verwijzing naar de onderdelen b en d; 3. Na het tweede lid wordt, onder vernummering van de leden 3 tot en met 5, een nieuw derde lid ingevoegd luidende: 3. De in het eerste lid onder c bedoelde ambtenaren oefenen het toezicht op vreemdelingen onder leiding van de Commandant van de Koninklijke marechaussee uit. 4. De verwijzing naar de onderdelen a-c in het derde en het vijfde lid wordt vervangen door verwijzing naar de onderdelen a-d. B Na artikel 4a wordt een nieuw artikel 4b ingevoegd, luidende:

Artikel 4

b.

  1. De in de artikelen 3, tweede lid, en 4, eerste lid, bedoelde ambtenaren zijn bevoegd vervoermiddelen te onderzoeken waarmee, naar hun redelijk oordeel, personen worden vervoerd met betrekking tot wie zij een toezichthoudende taak hebben. 2. De ambtenaren zijn bevoegd van de bestuurder van een voertuig of van de schipper van een vaartuig, waarmee personen worden vervoerd met betrekking tot wie zij een toezichthoudende taak hebben, te vorderen dat deze zijn vervoermiddel stilhoudt en naar een door hen aangewezen plaats overbrengt. 3. De ambtenaren zijn in het in het eerste lid bedoelde geval bevoegd inlichtingen te vorderen en inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden. Zij zijn bevoegd van de gegevens en bescheiden kopieën te maken. Indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan geschieden, zijn zij bevoegd de gegevens en bescheiden voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs. 4. De ambtenaren maken van hun bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT