Wet kinderbijslagvoorziening BES

 
INDEX
GRATIS UITTREKSEL

Wet van 9 december 2015 tot vaststelling van een algemene kinderbijslagvoorziening voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Wet kinderbijslagvoorziening BES)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om te komen tot een algemene kinderbijslagvoorziening voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Algemene bepalingen

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder:a. Onze Minister:

Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;b. openbaar lichaam/openbare lichamen:

de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;c. SVB:

de Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Artikel 2 Ingezetene
  1. Ingezetene in de zin van deze wet is degene die in de openbare lichamen woont. 2. Waar iemand woont wordt naar de feitelijke omstandigheden beoordeeld.

Artikel 3 Kind
  1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder kind: eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind. 2. Als eigen kind wordt beschouwd het kind: a. van de vrouw die op grond van artikel 198 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES als zijn moeder wordt aangemerkt; b. van de man die op grond van artikel 199 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES als zijn vader wordt aangemerkt; c. van de man die op grond van artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES verplicht is bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding, tenzij het kind reeds op grond van artikel 199 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES als eigen kind van een andere man wordt aangemerkt; d. van de man wiens biologisch vaderschap door middel van DNA-onderzoek is vastgesteld, mits de man het kind feitelijk in relevante mate onderhoudt en het kind niet reeds tot een andere man in een familierechtelijke vaderschapsrelatie staat; e. van de man die na toepassing van het in de openbare lichamen geldende internationaal privaatrecht tot het kind in een familierechtelijke vaderschapsrelatie staat. 3. Als pleegkind wordt beschouwd het kind dat duurzaam tot het huishouden van de rechthebbende behoort en door de rechthebbende wordt verzorgd.

Artikel 4 Uitvoerder

Onze Minister is belast met de uitvoering van deze wet.

HOOFDSTUK 2. KINDERBIJSLAG BES

Paragraaf 1. Kinderbijslag BES

Artikel 5 Rechthebbende
  1. De ingezetene heeft overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op kinderbijslag BES voor een kind dat: a. ingezetene is; b. jonger is dan 18 jaar; en c. tot zijn huishouden behoort. 2. In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en c, behoeft het kind geen ingezetene te zijn en niet tot het huishouden van de rechthebbende te behoren, indien het om onderwijsredenen, dan wel in verband met een ziekte of handicap geen ingezetene is en niet tot het huishouden van de rechthebbende behoort. Voor de toepassing van dit lid dient het betreffende kind ten minste vijf jaar ingezetene te zijn geweest. 3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot het tweede lid, waarbij kan worden bepaald dat in specifieke gevallen voor een kind met een ziekte of handicap van de termijn van vijf jaar kan worden afgeweken. 4. Geen recht op kinderbijslag BES bestaat voor de vreemdeling die op grond van de Wet toelating en uitzetting BES niet rechtmatig in de openbare lichamen verblijft.

Artikel 6 Samenloop kinderbijslag BES met studiefinanciering BES en studiefinanciering 2000
  1. Geen recht op kinderbijslag BES overeenkomstig de bepalingen van deze wet bestaat voor een kind, indien dat kind op de eerste dag van de maand recht heeft op studiefinanciering BES op grond van de Wet studiefinanciering BES. 2. Geen recht op kinderbijslag BES overeenkomstig de bepalingen van deze wet bestaat voor een kind, indien dat kind op de eerste dag van de maand recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000. 3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt een reisvoorziening voor de deelnemer, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, tweede volzin, van de Wet studiefinanciering 2000, niet beschouwd als studiefinanciering in de zin van die wet.

Artikel 7 Samenloop kinderbijslag BES en kinderbijslagregelingen die naar aard en strekking overeenkomen met de kinderbijslag BES
  1. Geen recht op kinderbijslag BES overeenkomstig de bepalingen van deze wet bestaat voor de persoon die kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet of een vergelijkbare tegemoetkoming in de kosten van...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT