Wet lokaal spoor

Abbreviated labelGeen
CourtInfrastructuur en Milieu

Geldend van 16-06-2019 t/m heden

Wet van 10 juli 2013, houdende regels over de aanleg, het beheer, het gebruik en de veiligheid van lokale spoorwegen (Wet lokaal spoor)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de regels inzake de aanleg, het beheer, het gebruik en de veiligheid van lokale spoorwegen te moderniseren en de verantwoordelijkheid van de decentrale overheden voor de lokale spoorweginfrastructuur vast te leggen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • beheerder: beheerder van de lokale spoorweginfrastructuur die als zodanig is aangewezen op grond van artikel 18, eerste lid;

  • dagelijks bestuur: dagelijks bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000;

  • interoperabiliteitsrichtlijn: richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PbEU L 2016, 138);

  • Locaalspoor- en Tramwegwet: Wet van 9 juli 1900, houdende nadere regeling van den dienst en het gebruik van spoorwegen, waarop uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd (Stb. 1900, 118);

  • lokaal spoorwegverkeerssysteem: verkeerssysteem van de krachtens artikel 2, eerste lid, als zodanig aangewezen lokale spoorweg;

  • lokale spoorweg: spoorweg die krachtens artikel 2, eerste lid, als zodanig is aangewezen;

  • lokale spoorweginfrastructuur: de elementen, bedoeld in artikel 2, vijfde lid;

  • Metroreglement: Besluit van 30 oktober 1981, houdende vaststelling van een Algemeen reglement voor de stadsspoorwegen (Stb. 1981, 700);

  • Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;

  • rechthebbende: eigenaar, bezitter of degene die een recht van erfpacht, opstal, vruchtgebruik, gebruik, huur of pacht heeft;

  • Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegen: Besluit van 25 januari 1977, houdende vaststelling van een algemeen reglement voor de dienst op de hoofd- en lokaalspoorwegen (Stb. 1977, 152);

  • richtlijn 2007/59/EG: richtlijn 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2007 inzake de certificering van machinisten die locomotieven en treinen op het spoorwegsysteem van de Gemeenschap besturen (PbEU 2007, L 315);

  • richtlijn 2012/34/EU: richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte (PbEU L 2012, 343/32);

  • spoorvoertuig: voertuig, bestemd voor verkeer over de lokale spoorweg;

  • spoorwegveiligheidsrichtlijn: richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad inzake veiligheid op het spoor (PbEU L 2016, 138);

  • toezichthouder: de bij besluit van Onze Minister aangewezen personen, bedoeld in artikel 42, eerste lid;

  • vervoerder: onderneming die met een spoorvoertuig vervoer verricht over een lokale spoorweg;

  • wegbeheerder: overheden, genoemd in de artikelen 15 tot en met 17 van de Wegenwet of, indien van toepassing, het openbaar lichaam als bedoeld in artikel 20, derde lid van de Wet personenvervoer 2000 voor zover het wegbeheer aan het openbaar lichaam is overgedragen;

  • weggebruiker: weggebruiker als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

  • Wet aanleg locaalspoor- en tramwegen: Wet van 15 december 1917, houdende voorschriften omtrent aanleg en instandhouding van spoorwegen, waarop uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd, op wegen niet onder beheer van het Rijk (Stb. 1917, 703);

  • Wet zwerfstroomen: Wet van 1 november 1924, houdende wettelijke maatregelen tegen aantasting van metalen voorwerpen in den bodem door zwerfstroomen, afkomstig van de spoorstaven van electrische spoor- en tramwegen (Stb. 1924, 498).

Artikel 2
  • 1 Lokale spoorwegen worden bij koninklijk besluit aangewezen.

  • 2 Een spoorweg kan als lokale spoorweg worden aangewezen, indien de spoorweg:

    • a. is bestemd voor openbaar personenvervoer met stads-, voorstads- of regionale spoorvervoerdiensten of voor goederenvervoer; en

    • b. geen hoofdspoorweg is als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Spoorwegwet.

  • 3 Indien een lokale spoorweg niet meer voldoet aan het tweede lid, wordt de aanwijzing als lokale spoorweg ingetrokken.

  • 4 Een besluit tot aanwijzing dan wel intrekking van een aanwijzing als lokale spoorweg wordt bekendgemaakt in het Staatsblad.

  • 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de elementen aangewezen die tot de lokale spoorweginfrastructuur behoren.

Artikel 3
  • 1 Deze wet is van toepassing op lokale spoorwegen.

  • 2 Indien de interoperabiliteitsrichtlijn, de spoorveiligheidsrichtlijn, richtlijn 2007/59/EG of richtlijn 2012/34/EU vanwege het toepassingsgebied van de desbetreffende richtlijn geheel of gedeeltelijk van toepassing is op een lokale spoorweg, worden, voor zover dit voor een goede toepassing van deze richtlijn nodig is, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld. Deze regels kunnen in ieder geval strekken tot:

    • a. het geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten van het bij of krachtens deze wet bepaalde op de desbetreffende lokale spoorweg;

    • b. het geheel of gedeeltelijk van toepassing verklaren van het bij of krachtens de Spoorwegwet bepaalde op de desbetreffende lokale spoorweg.

  • 3 Een lokale spoorweg is uitgesloten van de reikwijdte van een richtlijn genoemd in het tweede lid, indien de desbetreffende richtlijn deze mogelijkheid biedt, tenzij bij of krachtens algemene maatregel van bestuur anders is bepaald.

Hoofdstuk 2. Zorg voor de veiligheid op en nabij de lokale spoorwegen
Artikel 4
  • 1 Gedeputeerde staten dragen zorg voor de aanleg en het beheer van de lokale spoorweginfrastructuur in het gebied van de provincie voor zover die infrastructuur niet is gelegen in het krachtens artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 aangewezen gebied.

  • 3 Gedeputeerde staten onderscheidenlijk het dagelijks bestuur kunnen hun bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 9, tweede lid, 10 derde lid, 11, 12, 17, derde lid, 18, 20, vierde lid, 21, tweede, derde en vierde lid, 22, tweede lid, 24, eerste lid, 32, tweede en vijfde lid, 33, derde lid, 34, eerste en zesde lid, en 35, tweede lid, overdragen aan het college van burgemeester en wethouders van een van de in het gebied van die provincie of in het krachtens artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 aangewezen gebied liggende gemeenten.

Artikel 5
  • 1 De lokale spoorweginfrastructuur wordt zodanig aangelegd dat de lokale spoorweginfrastructuur:

    • a. in goede staat verkeert, betrouwbaar en beschikbaar is;

    • b. geschikt is voor het gebruik waarvoor zij is bestemd;

    • c. bij normaal gebruik geen gevaar of schade oplevert voor personen of zaken; en

    • d. veilig en doelmatig met de toegestane maximumsnelheid kan worden bereden.

  • 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels omtrent dit artikel worden gesteld.

Artikel 6
  • 1 Onverminderd artikel 5, eerste lid, wordt nieuwe ondergrondse lokale spoorweginfrastructuur zodanig aangelegd dat:

    • a. reizigers te allen tijde een spoorvoertuig kunnen verlaten en het dichtstbijzijnde station, een nooduitgang of een plaats die bereikbaar is vanaf de voor het openbaar verkeer openstaande weg, kunnen bereiken; en

    • b. hulpverleningsdiensten in staat zijn om tijdens calamiteiten hun

    werkzaamheden naar behoren uit te voeren.

  • 2 Gedeputeerde staten onderscheidenlijk het dagelijks bestuur laten in het geval dat overwogen wordt een tunnel aan te leggen die onderdeel uitmaakt van een lokale spoorweg en langer is dan 250 meter een risicoanalyse uitvoeren ten aanzien van het ontwerp van de tunnel.

  • 3 De aanleg van een tunnel als bedoeld in het tweede lid vindt uitsluitend plaats indien uit de risicoanalyse blijkt dat het risico lager is dan de bij ministeriële regeling vastgelegde risiconorm.

  • 4 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de methode voor het uitvoeren van een risicoanalyse en de aspecten die in ieder geval bij de risicoanalyse worden betrokken.

Artikel 7
Artikel 8

Onverminderd het recht op...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT