Wet op de bijzondere opsporingsdiensten

Abbreviated label:Wbo
Court:Veiligheid en Justitie

Geldend van 01-01-2020 t/m heden

Wet van 29 mei 2006 tot vaststelling van regels met betrekking tot de bijzondere opsporingsdiensten en de instelling van het functioneel parket (Wet op de bijzondere opsporingsdiensten)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in een afzonderlijke wet regels te stellen voor de bijzondere opsporingsdiensten, in verband met de samenhang van de rechtshandhaving en de democratische controle en ter verbetering van de handhaving van de ordeningswetgeving, alsmede de instelling van het functioneel parket;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Algemeen
Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. bijzondere opsporingsdienst: een van de diensten, bedoeld in artikel 2;

  • b. opsporingsambtenaar: een ambtenaar van een bijzondere opsporingsdienst die is aangewezen voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 3;

  • c. Onze betrokken Minister: Onze minister onder wie een bijzondere opsporingsdienst ressorteert.

Artikel 2

Er zijn vier bijzondere opsporingsdiensten, te weten:

  • a. een bijzondere opsporingsdienst, ressorterend onder Onze Minister van Financiën;

  • b. een bijzondere opsporingsdienst, ressorterend onder Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;

  • c. een bijzondere opsporingsdienst, ressorterend onder Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;

  • d. een bijzondere opsporingsdienst, ressorterend onder Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Hoofdstuk II. Taken en bevoegdheden
Artikel 3

Een bijzondere opsporingsdienst is onder gezag van de officier van justitie belast met:

  • a. de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde op de beleidsterreinen waarvoor Onze betrokken Minister verantwoordelijkheid draagt;

  • b. de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde op een beleidsterrein waarvoor een andere minister dan de onder a. bedoelde, verantwoordelijkheid draagt en die door die minister in overeenstemming met Onze betrokken Minister en Onze Minister van Veiligheid en Justitie aan die bijzondere opsporingsdienst is opgedragen;

  • c. opsporingshandelingen in verband met strafbare feiten die zijn geconstateerd in het kader van de taakuitoefening bedoeld onder a. en b., en die met die taakuitoefening verband houden;

  • d. de opsporing van andere strafbare feiten, indien de bijzondere opsporingsdienst daarmee is belast door de officier van justitie.

Artikel 4

De officier van justitie kan, onverlet de toepassing van artikel 80, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de betrokken opsporingsambtenaren de nodige aanwijzingen geven voor de vervulling van de in artikel 3 bedoelde taken.

Artikel 5

De opsporingsambtenaar is bevoegd zijn taak uit te oefenen in het gehele land.

Artikel 6
  • 1 De opsporingsambtenaar is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn taak geweld te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt.

  • 2 Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.

  • 3 De opsporingsambtenaar is bevoegd tot het onderzoek aan de kleding van personen bij de uitoefening van een hem wettelijk toegekende bevoegdheid of bij een handeling ter uitvoering van zijn taak, indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat een onmiddellijk gevaar dreigt voor hun leven of veiligheid, die van de opsporingsambtenaar zelf of van derden en dit onderzoek noodzakelijk is ter afwending van dit gevaar.

  • 4 De uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en derde lid, dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn.

  • 5 Met overeenkomstige toepassing van artikel 9 van de Politiewet 2012 wordt een ambtsinstructie voor de opsporingsambtenaren vastgesteld.

Artikel 6a

De opsporingsambtenaar is bevoegd tot het vorderen van inzage in een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van personen, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn taak.

Hoofdstuk III. Toezicht op de bijzondere opsporingsdiensten en opsporingsambtenaren
Artikel 7
  • 1 Het College van procureurs-generaal ziet erop toe dat de bijzondere opsporingsdiensten de taken, bedoeld in artikel 3, naar behoren uitvoeren.

  • 2 Het hoofd van het functioneel parket heeft tot taak erop toe te zien dat:

    • a. de opsporingsambtenaar beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden;

    • b. de opsporingsambtenaar zijn taak op de juiste wijze uitoefent.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, worden regels gegeven met betrekking tot de bekwaamheid en betrouwbaarheid die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden.

...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT