Cassatie van Hoge Raad, 9 juli 2010

Datum uitspraak: 9 juli 2010
Uitgevende instantie::Hoge Raad
SAMENVATTING

Verbintenissenrecht. Vuurwerkramp Enschede. Onrechtmatige overheidsdaad door nalaten effectieve maatregelen te treffen? Gevaarzetting? Staat niet aansprakelijk voor schade aan omliggend bedrijf. Geen verzuim Staat maatregelen te treffen tegen hem bekende gevaren. Kelderluikcriteria? Veiligheidsbeleid niet in strijd met effectbenadering ten aanzien van inrichtingen met een massa-explosiegevaar.... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

9 juli 2010

Eerste Kamer

09/00321

EE/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

  1. de rechtspersoon naar het recht van het Verenigd Koninkrijk XL INSURANCE COMPANY LTD.,

    gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

  2. HAMPDEN INSURANCE N.V.,

    gevestigd te Rotterdam,

  3. ALLIANZ SCHADEVERZEKERING NEDERLAND N.V.,

    gevestigd te Rotterdam,

  4. NATEUS NEDERLAND N.V.,

    gevestigd te Rotterdam,

    EISERS tot cassatie, verweerders in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

    advocaten: mr. R.S. Meijer en mr. B.T.M. van der Wiel,

    t e g e n

    DE STAAT DER NEDERLANDEN,

    zetelende te 's-Gravenhage,

    VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

    advocaten: mr. M.W. Scheltema en mr. J.W.H. van Wijk.

    Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de verzekeraars en de Staat.

  5. Het geding in feitelijke instanties

    Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

    a. het vonnis in de zaak 185453/02-2319 van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 november 2005,

    b. het arrest in de zaak 105.004.639/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 30 september 2008.

    Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

  6. Het geding in cassatie

    Tegen het arrest van het hof hebben de verzekeraars beroep in cassatie ingesteld. De Staat heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

    Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

    De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

    De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het (principale) beroep.

    De advocaat van de Staat heeft bij brief van 19 mei 2010 op de conclusie gereageerd.

  7. Uitgangspunten in cassatie

    3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

    (i) Op 13 mei 2000 is te Enschede op het terrein van het vuurwerkopslagbedrijf van de v.o.f. S.E. Fireworks (hierna: SEF) buiten de werkuren brand uitgebroken; daardoor is vuurwerk tot ontbranding gekomen, waarna zich krachtige ontploffingen hebben voorgedaan (hierna ook: de vuurwerkramp). Door deze explosies is in de omgeving van het bedrijf grote schade veroorzaakt; daarbij is ook het bedrijfscomplex van Grolsche Bierbrouwerij Nederland B.V. beschadigd, dat op een afstand van 100-175 meter lag.

    (ii) De gevarenklasse die aan vuurwerk wordt toegekend, wordt bepaald door de autoriteiten van het land van herkomst aan de hand van richtlijnen van de Verenigde Naties met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen. Deze richtlijnen zijn neergelegd in 'Recommendations on the transport of dangerous goods' met als bijlagen de 'Model Regulations' en het 'Manual of Tests and Criteria' (hierna ook: 'de VN-richtlijnen'). Vuurwerk valt onder gevarenklasse 1, onderverdeeld in zes subklassen (1.1 t/m 1.6; hierna ook: 'de VN-classificaties'). Daarnaast wordt met de comptabiliteitsgroep (S of G) onder meer de mate van gevoeligheid of aard van de stof aangegeven. Bij controle van in Nederland opgeslagen vuurwerk werd niet de juistheid van de in het land van herkomst daaraan toegekende classificatie onderzocht. De omschrijving van gevarenklasse 1 door TNO, die is tot stand gekomen op basis van de VN-classificaties, luidt, voor zover in cassatie van belang, als volgt (waarin met "massa-explosie" wordt bedoeld een explosie die praktisch op hetzelfde ogenblik plaatsvindt in nagenoeg de gehele lading):

    "- klasse 1.1:

    Massa-explosief, alle aanwezige artikelen exploderen tegelijkertijd, waardoor er een krachtige luchtschok ontstaat vergezeld van scherven en brokstukken afkomstig van de omhulling van het opslaggebouw, die over grote afstand worden weggeslingerd. De bijbehorende schade is afhankelijk van de totale hoeveelheid aanwezige explosieve stof.

    - klasse 1.2:

    In geval van ontsteking worden scherven en brandende delen alsook niet-ontstoken artikelen weggeslingerd. Deze laatste kunnen bij het neerkomen alsnog exploderen. De artikelen ontsteken niet tegelijkertijd zodat kleine explosies gedurende lange tijd kunnen optreden. Het schokgolfeffect blijft beperkt tot de explosieve inhoud van enkele artikelen.

    - klasse 1.3:

    Bij ontsteking wordt een heftige brand verwacht met bijbehorende hittestraling. Brandbare delen kunnen worden weggeslingerd. Scherfwerking en luchtdrukeffect blijven zeer beperkt.

    - klasse 1.4:

    Bij ontsteking wordt geen groot gevaar verwacht. Ook dragen deze artikelen niet bij tot een vergroting van de effecten. De effecten blijven beperkt tot op zeer geringe afstanden. Een explosie in een verpakkingseenheid zal geen vervolgexplosies veroorzaken."

    De VN-richtlijnen dienden ten tijde van de vuurwerkramp als leidraad voor het vuurwerkveiligheidsbeleid in Nederland.

    (iii) Aan SEF was door het college van B en W van de gemeente Enschede op 22 april 1997 een revisievergunning verleend, en op 19 juli 1999 een tijdelijke veranderingsvergunning. Op grond van deze vergunningen was het SEF toegestaan vuurwerk op te slaan, verdeeld over de in de vergunningen genoemde bewaarplaatsen. De maximumhoeveelheid vuurwerk die mocht worden opgeslagen was 158.500 kilogram van de gevarenklasse 1.4 S/G of, in plaats daarvan, 136.600 kilogram van die klasse, en bovendien 2.000 kilogram van de zwaardere gevarenklasse 1.3 G.

    Daarnaast mocht tijdens de werkuren maximaal 500 kilogram van de gevarenklasse 1.4 S/G onverpakt in de ompakruimte aanwezig zijn.

    Opslag van vuurwerk van de zwaarste gevarenklassen 1.1 en 1.2 was niet toegestaan.

    (iv) SEF had bovendien een bezigings- en een afleververgunning. Deze waren verleend door de Rijksverkeersinspectie (hierna: RVI), die ook was belast met het toezicht op de naleving daarvan.

    (v) Voordat het college van B en W de onder (iii) bedoelde vergunningen verleende heeft het, zoals het wettelijk verplicht was, advies ingewonnen met betrekking tot de gevolgen die de vuurwerkopslag voor de externe veiligheid zou hebben bij het - toentertijd zo genoemde - bureau Adviseur Milieuvergunningen van de sectie Milan van de directie Materieel Koninklijke Landmacht van het Ministerie van Defensie (hierna: bureau Milan). Bij het uitbrengen van dat advies maakte (de voorganger van) bureau Milan sinds 1992 gebruik van de door het bureau zelf herziene, interne, normen die waren neergelegd in het Memorandum Veiligheidsafstanden Opslag Vuurwerk Algemeen, het Memorandum Veiligheidsafstanden Opslag Groot Vuurwerk en het Memorandum Veiligheidsafstanden Opslag Klein Vuurwerk. In deze memoranda (hierna ook tezamen: de memoranda) en in het Handboek Milieuvergunningen (hierna ook: het handboek) waren voor vuurwerk hoeveelheden en (VN-)gevarenklassen opgenomen waaraan (veiligheids)afstanden tot gevoelige gebouwen van derden waren gekoppeld.

    (vi) In 1993 heeft een medewerker van het bureau Milan, toen nog bureau Hinderwetzaken genaamd, een controlebezoek gebracht aan SEF (dat op dat moment Kunstvuurwerkbedrijf [A] heette). Op 10 juni 1998 is SEF opnieuw door een medewerker van het bureau Milan gecontroleerd.

    (vii) Na de vuurwerkramp is de onafhankelijke "Commissie onderzoek vuurwerkramp" ingesteld (hierna: commissie-Oosting). Deze commissie heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar de gebeurtenissen voor, tijdens en na de ramp. Daarbij is ook de milieuveiligheid, de veiligheid voor de omgeving en het optreden van de betrokken overheden onderzocht. De commissie-Oosting heeft op 28 februari 2001 haar eindrapport en drie onderzoeksrapporten uitgebracht. Zij heeft zich daarin uitdrukkelijk onthouden van het formuleren van conclusies op het punt van schuld en aansprakelijkheid van betrokkenen, in verband met mogelijke civielrechtelijke of strafrechtelijke verwijtbaarheid jegens hen, of van hun politiek-bestuurlijke verantwoordelijkheid.

    (viii) Daarnaast hebben acht rijksinspecties onderzoek verricht naar de vuurwerkramp. Bij brief van 19 februari 2001 is een rapport van vier rijksinspecties aan de Tweede Kamer aangeboden over de vraag in hoeverre de conclusies en aanbevelingen voortkomend uit onderzoek naar de vuurwerkexplosie die in 1991 te Culemborg had plaatsgevonden, in acties hebben geresulteerd.

    (ix) De bedrijfsleiders van SEF zijn bij onherroepelijk geworden arresten van 12 mei 2003 veroordeeld tot gevangenisstraffen van één jaar in verband met opzettelijke overtredingen van milieuvergunningvoorschriften door SEF.

    (x) Bij Koninklijk besluit van 22 januari 2002 (Stb. 2002, 33; hierna: het Vuurwerkbesluit) zijn nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk vastgesteld. Ingevolge dit besluit mag binnen een inrichting waarin (mede) professioneel vuurwerk wordt opgeslagen of bewerkt, niet meer dan 6.000 kilogram vuurwerk aanwezig zijn en mag een zodanige inrichting uitsluitend nog zijn gelegen op een afstand van ten minste 800 meter van kwetsbare objecten, waaronder gebouwen of terreinen die in verband met het verrichten van arbeid worden of plegen te worden gebruikt, of die daartoe zijn bestemd.

    (xi) In verband met de schade als gevolg van de vuurwerkramp hebben de verzekeraars in totaal € 60.469.137,-- aan de Grolschbedrijven uitgekeerd.

    3.2.1 In dit geding hebben de verzekeraars gevorderd dat de Staat zal worden veroordeeld hun het hiervoor in 3.1 onder (xi) genoemde bedrag te voldoen, met neven-vorderingen. Zij hebben hieraan ten grondslag gelegd dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld tegenover hun verzekerde, de Grolschbedrijven, en dat zij in de rechten van hun verzekerde zijn gesubrogeerd.

    3.2.2 In eerste aanleg hebben de verzekeraars aan het gestelde onrechtmatige handelen van de Staat ten grondslag gelegd dat deze heeft nagelaten

    1. adequate regelgeving uit te vaardigen, dan wel de bestaande regelgeving aan te passen;

    2. onderzoek te verrichten en gevolg te geven aan de uitkomsten daarvan in de vorm van (nadere) regelgeving;

    3. het toezicht op de uitvoering van bestaande regelgeving te verbeteren en de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT