Eerste aanleg - enkelvoudig van Gerechtshof Amsterdam, 3 februari 2011

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak: 3 februari 2011
Uitgevende instantie::Gerechtshof Amsterdam
SAMENVATTING

De duur van het strafrechtelijk onderzoek volgend op de door de FIOD verrichte identificatie kan de inspecteur niet worden tegengeworpen. Voor het daarna aangevangen fiscale onderzoek heeft de inspecteur niet meer tijd gebruikt dan die welke noodzakelijkerwijs was gemoeid met het verkrijgen van de benodigde inlichtingen en het voorbereiden en vaststellen van de navorderingsaanslagen.

 
GRATIS UITTREKSEL

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Twaalfde Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur van de Belastingdienst Utrecht-Gooi/kantoor Hilversum, de inspecteur.

  1. Loop van het geding

    1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 27 juli 2004, ingediend door mr. G.J.M.E. de Bont (Hertoghs advocaten-belastingkundigen te Breda) als gemachtigde van belanghebbende. Het beroepschrift is aangevuld bij brief van 26 augustus 2004.

    1.2. Het beroep is gericht tegen de uitspraken van de inspecteur betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PV) voor het jaar 1991 en in de vermogensbelasting (hierna: VB) voor het jaar 1992 (hierna: de navorderingsaanslagen), alsmede tegen de uitspraken betreffende de kwijtscheldingsbesluiten ter zake van de in de navorderingsaanslagen begrepen verhogingen (hierna: de kwijtscheldingsbesluiten). Voorts worden de beroepen geacht mede te zijn gericht tegen de uitspraken van de inspecteur betreffende de gelijktijdig met de navorderingsaanslagen genomen beschikkingen inzake in rekening gebrachte heffingsrente (hierna: de beschikkingen heffingsrente).

    1.3. De navorderingsaanslagen IB/PV en VB belopen respectievelijk ƒ 56.704 en ƒ 7.768 aan belasting. Van de in de navorderingsaanslagen begrepen verhoging is geen kwijtschelding verleend. Na bezwaar zijn de navorderingsaanslagen, de kwijtscheldingsbesluiten en de beschikkingen heffingsrente bij de bestreden uitspraken, gedagtekend 15 juli 2004, gehandhaafd.

    1.4. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraken, de navorderingsaanslagen, de kwijtscheldingsbesluiten en de beschikkingen heffingsrente.

    1.5. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend, waarin hij concludeert tot het ongegrond verklaren van het beroep.

    1.6. De inspecteur heeft bij brief van 2 november 2006 meegedeeld dat met belanghebbende overeenstemming is bereikt over de hoogte van de navorderingsaanslagen en dat de navorderingsaanslagen dienovereenkomstig zijn verminderd. Bij die brief heeft hij afschriften meegezonden van een brief van de gemachtigde gedagtekend 10 januari 2006 en van de inspecteur gedagtekend 24 november 2005. Een afschrift van deze stukken is bij brief van 7 november 2006 naar de wederpartij gezonden.

    1.7. Naar aanleiding van een brief van 30 januari 2007 van de gemachtigde heeft de griffier de inspecteur bij brief van 2 februari 2007 verzocht stukken in te zenden. Een afschrift van dit verzoek is aan de gemachtigde gezonden. De inspecteur heeft de gevraagde stukken ingezonden bij brief van 6 februari 2007.

    1.8. Bij brief van 2 februari 2007 heeft de gemachtigde nadere stukken ingezonden. Afschriften hiervan zijn op 5 februari 2007 naar de wederpartij gezonden.

    1.9. Bij brief van 8 februari 2007 heeft de gemachtigde aangeboden bewijs te leveren door middel van het horen van getuigen. Een afschrift hiervan is op 9 februari 2007 naar de wederpartij gezonden.

    1.10. Van het verhandelde ter zitting van 16 februari 2007 is proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift op 22 februari 2007 naar partijen is gezonden.

    1.11. Bij brief van 7 juni 2007 heeft de gemachtigde een verzoek ingediend de staatssecretaris van Financiën te gelasten uitvoering te geven aan de uitspraak van de rechtbank Breda van 29 mei 2007, procedurenummer 06/3071 WOB. Dit verzoek is afgewezen bij brief van 12 juni 2007.

    1.12. Op 20 juni 2007 zijn J.A. Daalhuizen, R. Troost en A.J. Apeldoorn gehoord als getuigen. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal is aan partijen gezonden bij brief van 22 juni 2007.

    Van het verhandelde ter zitting van 20 juni 2007 is proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift ter zitting van 10 september 2010 aan partijen is uitgereikt.

    1.13. Bij brief van 3 augustus 2007 heeft de inspecteur gereageerd op de door de gemachtigde ter zitting van 16 februari 2007 overgelegde pleitnota. Een afschrift hiervan is op 10 augustus 2007 naar de wederpartij gezonden.

    1.14. Op 24 augustus 2007 is F. van Boxtel gehoord als getuige. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal is aan partijen uitgereikt ter zitting van 24 augustus 2007. Van het verhandelde op deze zitting is proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift op 7 april 2008 naar partijen is gezonden.

    1.15. Op 10 juni 2010 heeft de griffier de uitnodiging voor de zitting van 10 september 2010 naar partijen gestuurd. De uitnodiging voor de gemachtigde is verzonden naar zijn bij de griffie bekende adres (De Bont advocaten te Amsterdam). De gemachtigde heeft bij brief van 18 juni 2010 aan de griffier bericht dat hij in de zaak van belanghebbende geen gemachtigde meer is. De griffier heeft de uitnodiging op 21 juni 2010 naar Hertoghs advocaten-belastingkundigen te Breda gezonden.

    1.16. Bij faxbericht van 7 september 2010 heeft de inspecteur afschriften ingezonden van de beschikkingen van 30 juni 2006 waarbij de navorderingsaanslagen zijn verminderd.

    1.17. Ter zitting van 10 september 2010 is mr. A.M.E. Nuyens verschenen als nieuwe gemachtigde van belanghebbende (hierna ook: de gemachtigde). Van het tijdens deze zitting verhandelde is proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift met deze uitspraak wordt meegezonden.

    1.18. Na de sluiting van het onderzoek heeft de Eerste Meervoudige Belastingkamer het beroep verwezen naar de Twaalfde Enkelvoudige Belastingkamer.

  2. Geschil

    2.1. De navorderingsaanslagen, kwijtscheldingsbesluiten en beschikkingen heffingsrente waarop het geschil betrekking heeft zijn opgelegd in het kader van een door de Belastingdienst uitgevoerd onderzoek naar houders van bankrekeningen, vermeld op door de Belgische autoriteiten bij brief van 27 oktober 2000 aan de Nederlandse belastingdienst verstrekte fotokopieën, het zogenaamde Rekeningenproject. In de uitspraak van dit Hof van 2 juli 2009 met kenmerk P04/03329 t/m 04/03349, gepubliceerd onder LJN BJ1298 op www.rechtspraak.nl, is dit project nader omschreven en heeft het Hof een oordeel gegeven omtrent een aantal algemene, dus niet specifiek op belanghebbende betrekking hebbende, geschilpunten naar aanleiding van de in het kader van dit project opgelegde (navorderings)aanslagen.

    Voor zover dit oordeel van belang is voor de onderhavige zaak, komt het erop neer dat de fotokopieën als bewijsmiddel mogen worden gebruikt. Voor zijn overwegingen dienaangaande verwijst het Hof naar zijn uitspraak van 2 juli 2009 met kenmerk P04/03329 t/m 04/03349. Hetgeen in het onderhavige geding tot aan de zitting van 10 september 2010 is aangevoerd of gebleken geeft het Hof geen reden voor een ander oordeel.

    2.2. Met betrekking tot de hoogte van de navorderingsaanslagen zijn partijen tot overeenstemming gekomen.

    2.3. Naar het Hof begrijpt spitst het geschil zich thans wat betreft de enkelvoudige belasting toe op de vragen of

    (a) de inspecteur gebruik had mogen maken van de hem in artikel 16, lid 4, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) gegeven bevoegdheid en zo ja of

    (b) een door een rechtbank in Brussel gewezen vonnis tot een ander oordeel moet leiden over de rechtmatigheid van het gebruik van de microfiches dan is vermeld onder 2.1.

    Wat betreft de verhogingen is in geschil of deze terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd en gehandhaafd.

  3. Feiten

    3.1. Door de inspecteur overgelegde fotokopieën van microfiches vermelden vier rekeningen met nummer 123456 ten name van ARIE X met een totaal saldo dat hoger is dan ƒ 500.000.

    3.2. Tegen belanghebbende is op 30 oktober 2001 proces-verbaal opgemaakt in verband met het opzettelijk onjuist doen van aangiftes inkomstenbelasting voor de jaren 1997 tot en met 2000 en vermogensbelasting voor de jaren 1998 tot en met 2000. Dit strafbare feit is in december 2004 bewezen verklaard en belanghebbende is ter zake daarvan veroordeeld.

    3.3.1. Bij brief van 10 september 2003 heeft de inspecteur onder meer het volgende aan belanghebbende geschreven:

    Inzake het lopende onderzoek naar uw buitenlandse bankrekening(en) bericht ik u als volgt.

    De belastingdienst Utrecht-Gooi, kantoor Hilversum is belast met de uitvoering van het onderzoek voor de jaren 1991, 1992, 1993, 1994, 1995, 1996 en 1997 voor zover dit betrekking heeft op:

    • de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1991, 1992, 1993, 1994, 1995 en 1996

    • de vermogensbelasting 1992, 1993, 1994, 1995, 1996 en 1997

    Gelet op het bovenstaande doe ik u hierbij een...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT