Eerste aanleg - enkelvoudig van Rechtbank Amsterdam, March 03, 2010

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:2010/03/03
Uitgevende instantie::Rechtbank Amsterdam

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

Vonnis in gevoegde zaken van 3 maart 2010

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 358971 / HA ZA 06-4100 van

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST UTRECHT-GOOI,

gevestigd te Utrecht,

eiser,

advocaat mr. E.E. Schipper, voorheen mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen

  1. [A],

    wonende te --,

    gedaagde,

    advocaat mr. drs. J.F. Garvelink, voorheen mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

  2. MR. [B],

    wonende te --,

    gedaagde,

    advocaat mr. H.J. Blaisse, voorheen mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

  3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

    KPMG MEIJBURG & CO B.V.,

    gevestigd te Amsterdam,

    gedaagde,

    advocaat mr. H.J. Blaisse, voorheen mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

  4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

    TRUST & FINANCIAL WORKS B.V.,

    gevestigd te Ouderkerk aan de Amstel,

    gedaagde,

    advocaat mr. M. Dickhoff, voorheen mr. F.A. Piek,

  5. MR. [C],

    wonende te --,

    gedaagde,

    advocaat mr. M. Dickhoff, voorheen mr. F.A. Piek,

  6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

    TRICORP CAPITAL PARTNERS B.V.,

    gevestigd te Ouderkerk aan de Amstel,

    gedaagde,

    advocaat mr. M. Dickhoff, voorheen mr. F.A. Piek,

    en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 411429 / HA ZA 08-3040 van

    DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/UTRECHT-GOOI,

    gevestigd te Utrecht,

    eiser,

    advocaat mr. E.E. Schipper, voorheen mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

    tegen

    de maatschap

    KPMG MEIJBURG & CO,

    gevestigd te Amsterdam,

    gedaagde,

    advocaat mr. H.J. Blaisse.

    Eiser in beide zaken zal hierna de Ontvanger worden genoemd. Gedaagden in de zaak met rolnummer 06-4100 zullen hierna afzonderlijk [A], [B], KPMG B.V., TFW, [C] en Tricorp worden genoemd. Gezamenlijk zullen zij [A] c.s. worden genoemd. Gedaagde in de zaak met rolnummer 08-3040 zal hierna de maatschap KPMG genoemd worden. Waar hierna over KPMG wordt gesproken, wordt in het midden gelaten of KPMG B.V., dan wel de maatschap KPMG wordt bedoeld, tenzij anders is vermeld.

  7. De procedure in de zaak 06-4100

    1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

    - het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 28 november 2007, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

    - het proces-verbaal van de op 20 maart 2008 gehouden comparitie van partijen;

    - de conclusie van antwoord van TFW, met bewijsstukken;

    - de conclusie van antwoord van [C];

    - de conclusie van antwoord van Tricorp;

    - de conclusie van repliek, met bewijsstukken;

    - de conclusie van dupliek van [A];

    - de conclusie van dupliek van [B] en KPMG B.V.;

    - de conclusie van dupliek van TFW, [C] en Tricorp.

    1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

  8. De procedure in de zaak 08-3040

    2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

    - het vonnis in het voegingsincident van 17 december 2008;

    - de conclusie van antwoord.

    2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

  9. De feiten

    3.1. [A] is ondernemer en was tot 2 augustus 1999 enig aandeelhouder en enig bestuurder van Marisan & Partners Beleggingsmaatschappij B.V. (hierna Marisan). KPMG was en is zijn vaste belastingadviseur in Nederland. [B] is als belastingadviseur werkzaam binnen de maatschap KPMG. KPMG B.V. is een vennootschap waarvan de aandelen worden gehouden door de maatschap KPMG.

    3.2. TFW, op 7 april 1999 opgericht door King’s Lane Holding B.V. (hierna King’s Lane), houdt zich volgens haar statuten onder meer bezig met het verwerven van onroerende zaken en het houden van aandelen in vennootschappen of het oprichten/besturen daarvan. King’s Lane was in de voor dit geding relevante periode enig aandeelhouder van TFW en Tricorp en zelfstandig bevoegd bestuurder van TFW. [C], een voormalig werknemer van KPMG, was, via zijn houdstervennootschap Fascinating Stones B.V., die een belang had van 20 procent in King’s Lane, in deze periode indirect aandeelhouder en indirect (mede)bestuurder van zowel TFW als Tricorp. Daarnaast hielden [D] en [E] via hun houdstermaatschappijen ieder indirect een belang van 20 procent in King’s Lane.

    3.3. Hampton Trust Plc (hierna Hampton) is een tot 2005 aan de London Stock Exchange genoteerd onroerend goed bedrijf. Tot de Hampton-groep behoorde onder meer (sinds 1 juni 1999) Dutch Green Power B.V. (hierna DGP). De Hampton-groep werd in de periode 1998 tot 2000 op fiscaal gebied bijgestaan door KPMG, met name in de persoon van [F] (hierna [F]).

    3.4. Marisan heeft in 1995 een haar toebehorend bedrijfspand verkocht en daarbij een boekwinst van f. 3.957.480,- behaald. Voor dit bedrag is een zogenaamde vervangingsreserve, als bedoeld in artikel 8 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 jo. artikel 14 Wet op de inkomstenbelasting 1964, gevormd (hierna de vervangingsreserve). Daarmee werd de verschuldigdheid door Marisan van vennootschapsbelasting (hierna vpb) in beginsel tot ultimo 1999 uitgesteld. Indien voor 31 december 1999 door middel van aankoop van onroerend goed tot vervanging van het verkochte bedrijfspand zou worden overgegaan, zou Marisan geen vpb over de vervangingsreserve hoeven af te rekenen.

    3.5. De netto-opbrengst van de verkoop van het bedrijfspand, alsmede de overige liquide middelen, zijn door Marisan voor het grootste gedeelte belegd in een aandelenportefeuille.

    3.6. Bij brief van 11 maart 1998 hebben [B] en zijn medewerkster mevrouw [G] (hierna [G]) namens KPMG [A] geadviseerd omtrent vervanging van het onroerend goed binnen Marisan. Dit advies hing samen met het voornemen van [A] om over te gaan tot aankoop van onroerend goed in Zwitserland.

    3.7. Op 30 januari 1999 heeft de Inspecteur een eerste voorlopige aanslag vpb over 1999 ad f 150.000,- aan Marisan opgelegd. Deze aanslag is in 1999 in elf termijnen door Marisan voldaan.

    3.8. In 1999 bleek [A] geen geschikt vervangingsobject te (hebben) kunnen vinden, waarna KPMG ([B] en [G]) - in overleg met [A] - heeft onderzocht of zij in haar netwerk een koper kon vinden voor Marisan.

    3.9. Bij e-mailbericht van 24 maart 1999 heeft [G] aan [C], die haar als voormalig kantoorgenoot bij KPMG bekend was, het volgende bericht:

    Op 31 augustus 1995 is het onroerend goed (…) verkocht. Ter zake van de bij de verkoop behaalde boekwinst is op de balans per 31 december 1995 een vervangingsreserve opgenomen ter grootte van f. 3.957.480.

    Om de volledige vervangingsreserve te kunnen benutten dient (uiterlijk aug 1999) in totaal een bedrag van minimaal f. 8.080.000 te worden geinvesteerd.

    De meest recente balans heb ik opgevraagd en zal ik – zodra ik hem heb – faxen.

    [C] heeft op dit bericht bij e-mail van dezelfde dag geantwoord:

    Ik heb interesse houdt deze vennootschap even vast svp.

    3.10. Per faxbrief van 9 april 1999 heeft [C], op briefpapier van Tricorp, aan [G] het volgende bericht:

    Een van uw cliënten is voornemens de aandelen in een zogenoemde vervangingsreserve vennootschap te vervreemden. (…)

    Een cliënt van ons kantoor is geïnteresseerd in de overname van de aandelen in bedoelde vennootschap. De koper van de aandelen zal rekening houden met het feit dat door de vorming van vervangingsreserves een latente belastingschuld is ontstaan en voorts dat door de aanwending van deze vervangingsreserve een gemis aan afschrijving zal optreden. Verder dient bedacht te worden dat het pand nog dit jaar vervangen dient te worden.

    Bij de hiernavolgende berekening ben ik uitgegaan ik uit van een vervangingsreserve ter grootte van

    f 3.957.480. Indien het percentage van de belastinglatentie op 35% wordt gesteld, is de latentie te berekenen op f 1.385.118 (in de balans opgenomen voor f 1.387.861).

    Uitgaande van de balans per 31 december 1998 zal de prijs dan f 3.922.211 (= de intrinsieke waarde) bedragen.

    Mijn cliënt is bereid de aandelen over te nemen rekeninghoudend met een belastinglatentie van 20% hetgeen neerkomt op een latentie van f 791.496. Uw cliënt als verkoper ontvangt als koopsom derhalve f 4.518.576.

    In deze berekening heb ik niet meegenomen dat in de effectenportefeuille een stille reserve kan schuilen. (…) Het is uiteraard mogelijk dat uw cliënt de portefeuille zelf liquideert, dan wel overneemt.

    Mijn cliënt heeft KPMG Meijburg & Co als fiscaal adviseur.

    (…)

    3.11. Bij brief aan [G] van 26 april 1999, wederom op briefpapier van Tricorp, heeft [C] in gelijke bewoordingen het in zijn brief van 9 april 1999 geformuleerde aanbod herhaald, met als enige verschil dat daarbij rekening wordt gehouden met een belastinglatentie van 17,5%, hetgeen resulteert in een door de verkoper te ontvangen koopsom van f. 4.617.513,-.

    3.12. Bij e-mailbericht van 28 mei 1999 heeft [G] aan [C] als volgt bericht:

    Onder verwijzing naar je brief van 26 april 1999, bericht ik je dat de verkoper akkoord is met de je bod.. (…)

    De effecten zullen van tevoren worden verkocht, evenals het onroerend goed en aandelen in een nederlandse vennootschap en deelneming in een Antilliaanse vennootschap.(…)

    3.13. Eind mei/begin juni 1999, heeft DGP (toen nog Beheersmaatschappij [H] B.V. genaamd) de aandelen in de naamloze vennootschappen Stolker Jun N.V. en Stolker Mab N.V. (hierna de Stolker vennootschappen) gekocht van Mubavi Nederland B.V. Net als bij Marisan ging het bij de Stolker vennootschappen om vennootschappen met een vervangingsreserve. De liquide middelen ten belope van f. 6.300.000,- van de Stolker vennootschappen waren, in afwachting van de benutting van de vervangingsreserve(s), gestort op een geblokkeerde rekening.

    3.14. Tricorp heeft bij de aankoop van de aandelen in de Stolker-vennootschappen door DGP bemiddeld door een bedrag van f. 2.000.000,- als lening ter beschikking te stellen aan de Hampton-groep. Tricorp heeft, om deze lening mogelijk te maken, op haar beurt een bedrag van f. 1.600.000,- geleend van Mercy Holdings S.A. te Liechtenstein, voor welke lening [C] zich persoonlijk borg heeft gesteld. In deze periode fungeerde First Alliance Trust (hierna FAT) als statutair bestuurder van DGP.

    3.15. Bij faxbrief van 4 juni 1999 heeft [C], ditmaal op briefpapier van TFW, aan de notaris het volgende meegedeeld:

    Een cliënt van ons kantoor, Hampton Scandinavian BV, gaat de aandelen in een zogenoemde vervangingsreserve vennootschap overnemen. De naam...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT