Kort geding van Gerechtshof Leeuwarden, 8 maart 2011

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak: 8 maart 2011
Uitgevende instantie::Gerechtshof Leeuwarden
SAMENVATTING

Kort geding. Vereffening van een maatschap. Vraag of de maat die beëindiging en vereffening inroept, niet al voordien uit de maatschap is getreden. Hof oordeelt eerdere uittreding niet onaannemelijk.

 
GRATIS UITTREKSEL

Arrest d.d. 8 maart 2011

Zaaknummer 200.079.885/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. P.W. Huitema, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

  1. [geïntimeerde 1],

    wonende te [woonplaats],

    hierna te noemen: [geïntimeerde 1],

  2. [geïntimeerde 2],

    wonende te [woonplaats],

    hierna te noemen: [geïntimeerde 2],

    geïntimeerden,

    in eerste aanleg: gedaagden,

    tezamen te noemen [geïntimeerden];

    advocaat: mr. M.G.I.W. Teunis, kantoorhoudende te Arnhem.

    Het geding in eerste instantie

    In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 19 november 2010 door de voorzieningenrechter van de Rechtbank Groningen.

    Het geding in hoger beroep

    Bij exploot van 17 december 2010 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerden] tegen de zitting van 11 januari 2011.

    De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt:

    bij arrest, voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de Voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen, sector civiel, locatie Groningen d.d. 19 november 2010 (zaaknummer/rolnummer: 121290/ KG ZA 10-359), gewezen tussen appellant als eiser en gerequireerden als gedaagden te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van eiser alsnog toe te wijzen, met veroordeling van gerequireerden in de kosten van het geding in beide instanties.

    Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerden] verweer gevoerd met als conclusie:

    bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de Rechtbank Groningen, gewezen onder rolnummer 121290 / KG ZA 10-359 d.d. 19 november 2010 zal bekrachtigen, althans opnieuw rechtdoende, bij arrest de vorderingen van Koning alsnog zal afwijzen, onder veroordeling van Koning in de kosten van de procedures.

    Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

    De grieven

    [appellant] heeft vijf grieven opgeworpen.

    De beoordeling

    De feiten

  3. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.11) van het hiervoor genoemde vonnis zijn geen bezwaren aangevoerd, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Voor zover dat in dit hoger beroep relevant is, staat het volgende vast.

    1.1. [appellant] is gehuwd met [echtgenote van appellant]. Zij hebben een zoon, genaamd [zoon van appellant].

    1.2. [geïntimeerde 1] is gehuwd met [echtgenoot van geïntimeerde 1] (de broer van [appellant]). Zij hebben een zoon, genaamd [geïntimeerde 2].

    1.3. [echtgenoot van geïntimeerde 1] en zijn neef [zoon van appellant] zijn op 18 oktober 1996 begonnen samen een landbouwbedrijf uit te oefenen in de vorm van een Gesellschaft des bürgerlichen Rechts naar Duits recht te [adres] (hierna: de Duitse maatschap).

    1.4. [appellant] en [geïntimeerde 1] hebben op 1 april 1997 een maatschap opgericht met betrekking tot de uitoefening van een akkerbouwbedrijf en kippenmesterij te [woonplaats] (de Nederlandse maatschap, of kortweg de maatschap te noemen). Op 1 november 2005 is de zoon van [geïntimeerde 1], [geïntimeerde 2], tot deze maatschap toegetreden.

    1.5. Blijkens artikel 2 van de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT