Voorlopige voorziening van Gerechtshof 's-Gravenhage, 1 april 2011

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak: 1 april 2011
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Gravenhage
SAMENVATTING

Verzoek voorlopige voorziening. Aan de navorderingsaanslagen ligt een uitgebreid complex van feiten en omstandigheden ten grondslag en tussen partijen bestaat een veelheid van geschilpunten die onderwerp zijn van het hoger beroep (de bodemzaak). Verder dient een uitgebreid onderzoek van feitelijke aard plaats te vinden. Dit onderzoek dient op zorgvuldige wijze te geschieden. In het kader van een... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummers BK-11/00068 tot en met BK-11/00073

Uitspraak van de Belastingkamer (voorzieningenrechter) d.d. 1 april 2011

in het geding tussen:

[X] te [Z] (Zwitserland), hierna: verzoeker,

en

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Amsterdam, hierna: de Inspecteur,

ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op de verzoeken om voorlopige voorziening van verzoeker in verband met de hierna te vermelden bij het Hof aanhangige procedures in hoger beroep.

Aanduiding van de bestreden besluiten

Een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb is verzocht in verband met de door de Inspecteur aan verzoeker op 30 december 2004 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor de jaren 1996 tot en met 1999 en de navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting voor de jaren 1997 en 2000.

Ontstaan en loop van het geding

2.1. De navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 1996 tot en met 1999 zijn berekend naar belastbare inkomens van respectievelijk f 4.864.063, f 247.402, f 183.892 en f 5.974.381. De navorderingsaanslagen vermogensbelasting voor de jaren 1997 en 2000 zijn berekend naar belastbare vermogens van respectievelijk f 19.706.360 en f 47.671.054.

2.2. De tegen de navorderingsaanslagen gerichte bezwaren van verzoeker zijn door de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken van 19 oktober 2006 afgewezen.

2.3. Verzoeker heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank ’s-Gravenhage. De rechtbank heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken van 31 mei 2010 het volgende beslist:

“IB/PVV 1996

- vermindert de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 1.038.222 (€ 471.125).

IB/PVV 1997

- verklaart het beroep ongegrond.

IB/PVV 1998

- vermindert de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 26.892 (€ 12.203).

IB/PVV 1999

- vermindert de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 5.819.546 (€ 2.640.795), waarvan f 25.000 (€ 11.345) te belasten op de voet van artikel 57a, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

VB 1997

- vermindert de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar vermogen van f 18.274.824 (€ 8.292.754).

VB 2000

- vermindert de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar vermogen van f 47.340.170 (€ 21.482.032).

2.4. Verzoeker is op 12 juli 2010 van de uitspraken van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. De hoger beroepen zijn bij het Hof bekend onder de kenmerknummers BK-10/00408 tot en met BK-10/00413. Het hoger beroep is aangevuld op 1 december 2010. De Inspecteur heeft verweer ingediend op 2 februari 2011, aangevuld op 21 februari 2011. De Inspecteur heeft bij verweer incidenteel hoger beroep ingediend. Verzoeker is uitgenodigd dit incidenteel hoger beroep te beantwoorden.

2.5. Verzoeker heeft op 2 februari 2011 de onderhavige verzoeken ingediend. Op 15 februari 2011 heeft verzoeker ter aanvulling de motivering van het hoger beroep met bijlagen toegezonden. De Inspecteur heeft op de verzoeken gereageerd met een verweerschrift.

2.6. De verzoeken zijn behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter van 18 maart 2011, gehouden te ’s-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt.

Karakter van de voorlopige voorziening

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank bij de belastingkamer van het Gerechtshof hoger beroep openstaat dan wel is ingesteld op grond van artikel 27h van de Awr de voorzieningenrechter van het Gerechtshof dat bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in de procedure in de hoofdzaak.

Vaststaande feiten

4.1. De voorzieningenrechter ontleent aan de uitspraken van de rechtbank het volgende:

4.2. Verzoeker, geboren in 1956, woont in de onderhavige jaren in [P] en thans in Zwitserland. Verzoeker is financieel, juridisch en fiscaal specialist, met name op het gebied van het zogenoemde structureren alsmede de koop en verkoop van ondernemingen. [A] is zakenpartner van verzoeker. Hij investeert in ondernemingen.

4.3. Verzoeker is in de onderhavige jaren betrokken bij de aan- en verkoop van een gedeelte van het in 1995 failliet verklaarde concern [B], met name [C] B.V. (hierna [C]). Verzoeker wordt met anderen aandeelhouder van [C]. De aandelen [C] worden eind januari 1999 voor f 22.500.000 verkocht. In verband met de verkoop komen bedragen naar [D] NV, een op de Nederlandse Antillen opgerichte en gevestigde vennootschap met als aandeelhouder [E] Ltd., een op de Maagdeneilanden gevestigde vennootschap. Begin februari 1999 worden deze bedragen door [D] NV in één bedrag van f 11.100.000 overgemaakt naar de bankrekening van [E] bij de [bank 1 te Luxemburg] (hierna: [bank 1 te Luxemburg]). Van deze laatste rekening wordt begin...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT