Voorlopige voorziening+bodemzaak van Centrale Raad van Beroep, 2 augustus 2011

Datum uitspraak: 2 augustus 2011
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Toewijzing verzoek om voorlopige voorziening. Het was aan het College om te beoordelen of aan de door verzoekster verstrekte gegevens de conclusie kon worden verbonden dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. De voorzieningenrechter ziet hierin - en gelet op het spoedeisende belang van verzoekster - voldoende aanleiding om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Bepaalt dat het... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

11/3795 WWB-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoekster], wonende te [woonplaats], (hierna: verzoekster),

in verband met het hoger beroep van:

verzoekster

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 15 juni 2011, 11/892 en 11/893 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoekster

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad (hierna: College)

Datum uitspraak: 2 augustus 2011

  1. PROCESVERLOOP

    Namens verzoekster heeft mr. M.T.A.M. Mes, advocaat te Hoorn, hoger beroep ingesteld.

    Namens verzoekster heeft mr. Mes op 22 juni 2011 tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

    Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2011. Verzoekster is daar verschenen, bijgestaan door mr. Mes. Het College heeft zich met bericht niet laten vertegenwoordigen.

  2. OVERWEGINGEN

    1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

      1.1. Verzoekster staat sinds 7 oktober 2009 ingeschreven in de GBA op het adres [adres 1] te [gemeente ]. Op dit adres staat ook ingeschreven J.M. [C.] (hierna: [C.]). [C.] ontving sinds 22 mei 1995 een bijstanduitkering naar de norm voor een alleenstaande.

      1.2. Op 16 oktober 2009 heeft [C.] om aanvullende bijstand verzocht omdat zij per 1 oktober 2009 een gezamenlijke huishouding met verzoekster voert. Bij besluit van

      5 januari 2010 heeft het College het recht op bijstand van [C.] ingetrokken met ingang van 7 oktober 2009 om reden dat zij niet alle opgevraagde gegevens heeft overgelegd, waardoor het College het recht op bijstand niet heeft kunnen vaststellen.

      1.3. Op 31 maart 2010 heeft [C.] om bijstand verzocht naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van die aanvraag heeft het College de woon- en leefsituatie van [C.] onderzocht. In dat kader is op 3 juni 2010 een onaangekondigd huisbezoek verricht en hebben verzoekster en [C.] een verklaring afgelegd. Bij besluit van 16 juni 2010 heeft het College de aanvraag van [C.] afgewezen om reden dat zij een gezamenlijke huishouding voert met verzoekster.

      1.4. Verzoekster heeft zich in verband met de beëindiging van haar uitkering ingevolge de Werkloosheidswet per 31 oktober 2010, op 26 oktober 2010 bij de gemeente Lelystad gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Het College heeft geen aanvraag in behandeling genomen, omdat verzoekster heeft meegedeeld dat er niets is veranderd in haar woon- en leefsituatie en het College heeft geconcludeerd dat zij en [C.] een gezamenlijke huishouding voeren.

      1.5. Op 29 november 2010 heeft verzoekster een aanvraag ingediend om bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 15 december 2010 heeft het College onder verwijzing naar de besluiten van 5 januari 2010 en 16 juni 2010, de aanvraag van verzoekster afgewezen op de grond dat sprake is van het onweerlegbaar rechtsvermoeden zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet werk en bijstand (WWB).

      1.6. Bij besluit van 12 april 2011 heeft het College het door verzoekster gemaakte bezwaar tegen het...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT