Voorlopige voorziening+bodemzaak van Gerechtshof 's-Gravenhage, 18 januari 2012

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:18 januari 2012
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Gravenhage
SAMENVATTING

Verzoek voorlopige voorziening tot het verlenen van schorsende werking aan de uitspraak van de rechtbank afgewezen. Aanmaningskosten en kosten dwangbevel zijn tot het juiste bedrag in rekening gebracht. De verrekening van de voorlopige aanslagen met de aanslag is onderwerp van bezwaar tegen de aanslag. De Kostenwet geeft niet de bevoegdheid deze verrekening in het invorderingstraject nogmaals te... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummers BK-11/00482 en BK-11/00872

Uitspraak van de Belastingkamer (voorzieningenrechter) d.d. 18 januari 2012

ingevolge artikel 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen:

mevrouw [X] te [Z], hierna: verzoekster,

en

de directeur van de Belastingdienst/Haaglanden, kantoor [P], hierna: de Ontvanger,

op het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster en op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 6 juni 2011, nummer AWB 10/8472 IW, betreffende de aan verzoekster in rekening gebrachte invorderingskosten.

Beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Ontvanger heeft verzoekster met dagtekening 29 juni 2010 schriftelijk aangemaand wegens het niet betalen van de aan verzoekster opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2007 (hierna: aanslag IB/PVV 2007). Daarbij is door de Ontvanger € 15 aanmaningskosten in rekening gebracht. Toen betaling achterwege bleef heeft de Ontvanger op 14 juli 2010 belanghebbende een dwangbevel tot betaling van die aanslag betekend en voor het uitvaardigen daarvan belanghebbende € 526 aan betekeningskosten (hierna: te samen ook aangeduid als invorderingskosten) in rekening gebracht.

1.2. De Ontvanger heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 november 2010 de bezwaren van verzoekster tegen de in rekening gebrachte aanmaningskosten en betekeningskosten ongegrond verklaard.

1.3. Verzoekster heeft tegen de uitspraak van de Ontvanger beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Verzoekster is op 2 augustus 2011 van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. Verzoekster heeft op 30 september 2011 het onderhavige verzoek ingediend bij de rechtbank. Op 11 oktober 2011 heeft de Ontvanger op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft zich bij uitspraak van 27 oktober 2011, AWB 11/7725, onbevoegd verklaard het verzoek te behandelen. De rechtbank heeft het verzoek vervolgens doorgezonden aan het Hof.

2.3. Het verzoek en het hoger beroep zijn behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter van 11 januari 2012, gehouden te ’s-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt.

Karakter van de voorlopige voorziening

3.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank bij de belastingkamer van het gerechtshof hoger beroep openstaat dan wel is ingesteld op grond van artikel 27h van de Awr de voorzieningenrechter van het gerechtshof dat bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien het verzoek wordt gedaan indien hoger beroep bij het gerechtshof is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

4.1. Op 15 januari 2007 is aan verzoekster een voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd voor het jaar 2007 ([xxxx.xx.xxx].H70) met een aan belanghebbbende uit te betalen bedrag van € 2.497. Dit bedrag is in maandelijkse termijnen uitbetaald aan belanghebbende.

4.2. Vervolgens is aan haar op 23 september 2009 een voorlopige aanslag opgelegd met een uit te betalen bedrag van € 8.843. Deze teruggaaf is als volgt verwerkt:

€ 1.557 is verrekend met de openstaande aanslag IB/PVV 2005 H56,

€ 3.235 is verrekend met de openstaande aanslag IB/PVV 2006 H66,

€ 1.081 is verrekend met de openstaande aanslag IB/PVV 2009 H90,

€ 2.055,64 is uitbetaald op een bankrekeningnummer ten name van verzoekster.

€ 914,36 is overgemaakt aan de gemeente Den Haag in verband met een beslag gelegd door de gemeente onder de Ontvanger.

4.3...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT