Kort geding van Gerechtshof Arnhem, May 15, 2012

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:2012/05/15
Uitgevende instantie::Gerechtshof Arnhem
SAMENVATTING

Ontslag op staande voet, vernietiging beëindigingsovereenkomst wegens dwaling aan zijde werkgever.

 
GRATIS UITTREKSEL

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.101.100

(zaaknummer rechtbank 783695)

arrest in kort geding van de derde kamer van 15 mei 2012

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

hierna: “[appellant]”,

advocaat: mr. F.G. Vlaskamp,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

hierna: “[geïntimeerde]”,

advocaat: mr. K. van Kranenburg-Hanspians.

  1. Het geding in eerste aanleg

    Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis in kort geding van 23 december 2011 dat de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector handel en kanton, locatie Utrecht) tussen principaal appellant als eiser in conventie/verweerder in reconventie en principaal geïntimeerde als gedaagde in conventie/eiseres in reconventie heeft gewezen. Van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

  2. Het geding in hoger beroep

    2.1 [appellant] heeft bij exploot van 19 januari 2012 [geïntimeerde] aangezegd van dat vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

    2.2 In genoemd exploot heeft [appellant] twaalf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en heeft hij bewijs aangeboden. Hij heeft aangekondigd te zullen concluderen dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende,

    1. [appellant] ontvankelijk zal verklaren in het door hem ingestelde spoedappel en de vorderingen van [appellant] volledig zal toewijzen en de vorderingen van [geïntimeerde] volledig zal afwijzen en [geïntimeerde] aldus zal veroordelen om:

      primair:

      a. het salaris van [appellant] ad € 13.529,69 per maand inclusief vakantietoeslag, exclusief

      overige emolumenten, door te betalen vanaf 11 oktober 2011 tot 1 november 2011,

      vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging over de verschuldigde

      bedragen, inclusief wettelijke rente vanaf 11 oktober 2011 tot aan de dag der algehele

      voldoening;

      b. aan [appellant] in het kader van de nakoming van de vaststellingsovereenkomst te voldoen

      (een voorschot op) de beëindigingsvergoeding, zoals opgenomen in de

      vaststellingsovereenkomst, ad € 130.000,- bruto op een nader door [appellant] aan te

      geven mits fiscaal toelaatbare wijze (zoals reeds in de vaststellingsovereenkomst werd

      overeengekomen);

      c. aan [appellant] in het kader van de nakoming van de vaststellingsovereenkomst de nog

      openstaande vakantiedagen (in ieder geval 32, corresponderend met € 20.733,-), dan

      wel een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, te voldoen;

      subsidiair:

      d. het salaris ad € 13.529,69 per maand inclusief vakantietoeslag, exclusief

      overige emolumenten, aan [appellant] door te betalen vanaf 11 oktober 2011 tot

      24 december 2011, vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging

      over de verschuldigde bedragen, inclusief wettelijke rente vanaf 11 oktober 2011 tot

      aan de dag der algehele voldoening;

      e. de e-mailbox van [appellant] bij [geïntimeerde] terug te brengen in de staat waarin [appellant]

      deze op 8 juni 2011 heeft achtergelaten, en [appellant] toegang te verschaffen tot, dan wel

      inzage te verlenen in zijn account bij [geïntimeerde], alsmede de daartoe behorende

      e-mailbox op straffe van een dwangsom van € 2.500,-, dan wel van een door het hof in

      goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat

      [geïntimeerde] hiermee in gebreke blijft;

      meer subsidiair:

      f. aan [appellant] te voldoen de tantième over 2011 ter hoogte van € 40.000,-, althans het

      pro rata gedeelte daarvan, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag;

      zowel primair als subsidiair:

      g. aan [appellant] te voldoen een bedrag van € 25.000,-, dan wel een door het hof in goede

      justitie te bepalen bedrag, ten titel van voorschot op (materiële en immateriële)

      schadevergoeding als in de dagvaarding in eerste aanleg omschreven wegens de

      handelwijze van [geïntimeerde] jegens [appellant] sinds 8 juni 2011;

      h. aan [appellant] te vergoeden de door hem gemaakte (buiten)gerechtelijke kosten ad

      € 35.000,- exclusief BTW, dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen

      bedrag;

    2. [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van beide procedures zowel in eerste als in

      tweede aanleg.

      2.3 Op de eerst dienende dag heeft [appellant] geconcludeerd conform de dagvaarding in hoger beroep.

      2.4 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] verweer gevoerd, heeft zij bewijs aangeboden en drie producties in het geding gebracht. Zij heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, althans de vorderingen van [appellant] zal afwijzen, zo nodig onder aanvulling van de gronden van het bestreden vonnis, zulks met veroordeling van [appellant] in de kosten van het principaal hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na de datum van dit arrest.

      2.5 Bij dezelfde memorie heeft [geïntimeerde] incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het vonnis, heeft zij daartegen drie grieven aangevoerd, heeft zij bewijs aangeboden en drie producties in het geding gebracht. [geïntimeerde] heeft gevorderd dat het hof dat vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende:

  3. [appellant] zal veroordelen om aan [geïntimeerde] ten titel van een voorschot op

    schadevergoeding te betalen € 22.549,48, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

    11 oktober 2011;

  4. [appellant] zal gebieden om binnen twee werkdagen na betekening van het in dezen te

    wijzen arrest aan [geïntimeerde] een afschrift te verstrekken van het businessplan, alsmede

    van de versies van de conceptkoopakte en de verklaring omtrent vrijwaring inzake de

    [X] transactie van vóór 7 oktober 2011 en zal bepalen dat [appellant] voor elke

    dag dat hij in strijd handelt met het hiervoor geformuleerde gebod aan [geïntimeerde] een

    dwangsom verbeurt van € 1.000,- tot een (voorlopig) maximum van € 50.000,-, althans

    een door het hof vast te stellen bedrag;

  5. zulks met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in reconventie in eerste

    aanleg en in het incidenteel hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente

    daarover vanaf veertien dagen na de datum van dit arrest.

    2.6 [appellant] heeft binnen de daarvoor gegeven termijn geen memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep genomen.

    2.7 Ter zitting van 23 maart 2012 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. M.B. van den Akker, advocaat te Bilthoven, en [geïntimeerde] door mr. K. van Kranenburg-Hanspians, advocaat te Amsterdam. Beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

    2.8 Na afloop van het pleidooi heeft het hof arrest bepaald.

  6. De vaststaande feiten

    3.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist, staan in hoger beroep de navolgende feiten vast.

    3.2 In het als productie 13 bij productie 1A van de inleidende dagvaarding overgelegde uittreksel uit het handelsregister van 5 september 2011 staan als activiteiten van [geïntimeerde] vermeld:

    “De fabricage en/of verwerking van en de handel in betonmortel, metselspecies, toeslagenmaterialen en aanverwante producten. Houdster-, financierings- en onroerend goed maatschappij.”

    3.3 [appellant] is op 16 oktober 2007 bij [geïntimeerde] in dienst getreden als groepscontroller. Met ingang van 1 mei 2008 heeft [appellant] de functie gekregen van financieel directeur bij [geïntimeerde]. In de arbeidsovereenkomst van 17 juli 2008, waarin dit laatste is geformaliseerd, is, voor zover hier van belang, vermeld:

    “13. Nevenfuncties

    Zolang werknemer bij de werkgever in dienst is, zal hij zonder schriftelijke toestemming van de werkgever geen al dan niet gehonoreerde nevenfuncties bekleden.” In de bedrijfscode van [geïntimeerde], die eveneens op [appellant] van toepasselijk is geweest, is in artikel 7 een vergelijkbare bepaling opgenomen. Het salaris van [appellant] bedroeg laatstelijk € 13.529,69 bruto per maand, inclusief vakantietoeslag. Daarnaast had [appellant] jaarlijks recht op een tantième van minimaal € 40.000,- bruto per jaar, waarvan de uitkering afhankelijk was van de realisatie van doelstellingen.

    3.4 [Y] (hierna: “[Y]”) is op 1 april 1981 bij [geïntimeerde], althans haar rechtsvoorgangster, in dienst getreden. Met ingang van 19 april 2007 bekleedde hij de functie van algemeen directeur. [appellant] en [Y] werkten bij [geïntimeerde] nauw met elkaar samen.

    3.5 [geïntimeerde] heeft een handelsrelatie met Aannemingsbedrijf [X] B.V. (hierna: “[X]”). Bij overeenkomsten van 14 juli 2005 en 1 oktober 2007 zijn [geïntimeerde] en [X], voor zover hier van belang, overeengekomen dat [X] met een derde de navolgende werkzaamheden in de zandwinning van [geïntimeerde] zal verrichten: het uit de winning zuigen en spuiten van zand en grindspecie naar de bestaande installaties van [geïntimeerde].

    3.6 Op 12 januari 2010 heeft in de Airport Club van Frankfurt Airport een gesprek plaatsgevonden, waarbij aanwezig waren W. Bauer (hierna: “Bauer”), voorzitter van de raad van commissarissen van [geïntimeerde], [Y], T. Harbauer, directeur van [geïntimeerde] AG, en [appellant]. In dit gesprek is de mogelijke acquisitie door [geïntimeerde] van Houdstermaatschappij[X] B.V. ter sprake gekomen. Bij schriftelijke verklaring van 25 november 2011 (productie 9 bij de conclusie van antwoord in conventie/conclusie van eis in reconventie) heeft Bauer daaromtrent het volgende verklaard:

    “(…) We discussed a number of acquisition possibilities. I was however very surprised to learn during the meeting that [appellant] and [Y] had prepared a presentation with the title Possible acquisition of dredging activities [X]. Prior to [appellant] and [Y] commencing with this presentation, I informed them that [geïntimeerde] was not interested and that the...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT