Herziening van Centrale Raad van Beroep, 31 mei 2012

Datum uitspraak:31 mei 2012
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Afwijzing verzoek om herziening. De Raad stelt vast dat verzoekster daarbij geen feiten of omstandigheden heeft vermeld die vóór de uitspraak van 29 juli 2010 hebben plaatsgevonden, die bij haar vóór die uitspraak niet bekend waren en die haar redelijkerwijs ook niet bekend konden zijn, zoals bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. Verzoekster beoogt een hernieuwde discussie over de zaak te voeren.... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

11/2177 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 29 juli 2010, 09/375 AW

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

de Stichting Sirius (Openbaar Primair Onderwijs Amsterdam Zuidoost) (stichting)

Datum uitspraak 31 mei 2012.

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft om herziening verzocht van bovenvermelde uitspraak van de Raad.

De stichting heeft een verweerschrift ingediend.

Verzoekster en de stichting hebben desgevraagd schriftelijk toestemming verleend voor afdoening buiten zitting.

OVERWEGINGEN

1.1. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

  1. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

  2. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

  3. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

1.2. Verzoekster heeft op 12 april 2011 een verzoek om herziening van de uitspraak van 29 juli 2010 ingediend. Anders dan de stichting meent is er geen reden om te oordelen dat hier sprake is van een onredelijk laat gedaan verzoek, dat buiten behandeling moet blijven.

1.3. Verzoekster heeft aan haar verzoek om herziening argumenten ten grondslag gelegd die alle de strekking hebben om op inhoudelijke gronden de juistheid van de uitspraak van de Raad in twijfel te trekken. Daarbij heeft zij verwezen naar stukken in het desbetreffende procesdossier.

  1. De Raad stelt vast dat verzoekster daarbij geen feiten of omstandigheden heeft vermeld die vóór de uitspraak van 29 juli 2010 hebben plaatsgevonden, die bij haar vóór die uitspraak niet bekend waren en die haar redelijkerwijs ook niet bekend konden zijn, zoals bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. Verzoekster beoogt een hernieuwde discussie over de zaak te voeren. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT