Voorlopige voorziening+bodemzaak van Gerechtshof 's-Gravenhage, April 04, 2012

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:2012/04/04
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Gravenhage
SAMENVATTING

Opheffing IZA Nederland. Een deel van het vermogen is aan de voormalig deelnemende gemeenten uitgekeerd zonder oormerk. De gemeente heeft daarvan onverplicht een gedeelte uitgekeerd aan de ambtenaren. Het verband met de dienstbetrekking is zozeer aanwezig dat de uitkering door de gemeente als werkgever is gedaan en kan worden aangemerkt als loon. Deze bedragen zijn terecht in de loonheffing... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummers BK-11/00901 en BK-11/00902

Uitspraak van de Belastingkamer (voorzieningenrechter) d.d. 4 april 2012

ingevolge artikel 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen:

[X] te [Z], hierna: verzoeker,

en

de directeur van de Belastingdienst Utrecht-Gooi, hierna: de Inspecteur,

op het verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker en op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 oktober 2011, nummer AWB 10/7309, betreffende na te melden inhouding van loonheffing.

Inhouding, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De gemeente IJsselstein, de werkgever van verzoeker (hierna: de gemeente), heeft een bedrag van € 84 aan loonheffing ingehouden op een in de maanden mei en juni 2010 aan verzoeker gedane betaling van in totaal € 200. Hij heeft tegen deze inhouding bezwaar gemaakt.

1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 september 2010 de bezwaren van verzoeker tegen de inhouding ongegrond verklaard.

1.3. Verzoeker heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Verzoeker is op 5 december 2011 van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. Verzoeker heeft op 5 december 2011 het onderhavige verzoek ingediend bij het Hof. Op 20 januari 2012 heeft de Inspecteur op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

2.3. Het verzoek en het hoger beroep zijn behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter van 28 februari 2012, gehouden te ’s-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt.

Karakter van de voorlopige voorziening

3.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank bij de belastingkamer van het gerechtshof hoger beroep openstaat dan wel is ingesteld op grond van artikel 27h van de Awr de voorzieningenrechter van het gerechtshof dat bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien het verzoek wordt gedaan indien hoger beroep bij het gerechtshof is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

Vaststaande feiten

4.1. Op grond van de stukken van het geding gaat het Hof in hoger beroep uit van de volgende door de rechtbank in haar uitspraak vermelde feiten, waarbij de rechtbank verzoeker als eiser en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid.

”2. Eiser is werkzaam bij de gemeente IJsselstein (hierna: werkgever). De werkgever heeft aan eiser in de maanden mei en juni 2010 naast zijn salaris een bedrag van € 100 uitgekeerd nadat hierop naar het tarief van de tabel bijzondere beloningen voor beide maanden een bedrag van € 42 aan loonheffing is ingehouden.

  1. Naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet op 1 januari 2006 is de Gemeenschappelijke regeling Zorgverzekering Ambtenaren Nederland (hierna: IZA) opgeheven. In het kader van deze opheffing hebben de deelnemende lichamen, te weten de Provincie Limburg en alle Nederlandse gemeenten die deelnamen aan de regeling een uitkering ontvangen. De gemeente IJsselstein heeft in dit kader een bedrag van € 289.540 uitgekeerd gekregen.

  2. Op 15 december 2009 heeft het college van Burgemeesters en Wethouders van de gemeente IJsselstein het voorgenomen collegebesluit van 5 oktober 2009 bekrachtigd waarin het volgende is opgenomen:

    "De ontvangen IZA-gelden ad € 289.540,- worden als volgt besteed:

  3. € 144.540,- vloeit in de algemene middelen;

  4. € 79.000,- wordt gerestitueerd aan de medewerkers die op 31 december 2005 in dienst waren en die op 5 oktober 2009 in actieve, werkelijke dienst waren;

  5. € 30.000,- is bestemd voor cursussen e.d. voor persoonlijke ontwikkeling voor alle medewerkers;

  6. € 10.000,- is voor de PGIJ om voor alle personeelsleden activiteiten te organiseren;

  7. € 2.000,- is voor de gepensioneerden om een activiteit te organiseren;

  8. € 24.000,- wordt geoormerkt voor levensfasebewust personeelsbeleid."

  9. Ingevolge het onder 4. genoemde collegebesluit is onder de genoemde voorwaarden € 79.000 aan de medewerkers van de gemeente IJsselstein uitgekeerd. De hoogte van het te ontvangen bedrag was afhankelijk van de diensttijd van de betreffende medewerker. Aan eiser is in dat kader twee maal een bedrag van € 100, na inhouding van loonheffing, uitgekeerd

  10. Verweerder heeft na landelijke afstemming op 29 maart 2010 aan de werkgever kenbaar gemaakt dat de in het kader van de ontvangen IZA-gelden aan medewerkers uitgekeerde bedragen kwalificeren als belast loon. Daarop heeft de werkgever loonheffing ingehouden op de aan eiser uitgekeerde bedragen.”

    4.2. Voorts is in hoger beroep op grond van de stukken van het geding als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

    4.2.1. Op 27 april 2009 heeft IZA Nederland aan Burgemeester en Wethouders van de gemeente IJsselstein de beslissing tot uitkering van het hiervoor onder 3 genoemde bedrag van bedrag van € 289.540 - voor zover van belang - als volgt toegelicht:

    ”In onze brief van (…) hebben wij u op de hoogte gesteld van de voortgang met betrekking tot de liquidatie van IZA Nederland. Hierin werd onder meer aangekondigd dat het algemeen bestuur van IZA Nederland (…) heeft besloten het resterende vermogen van IZA Nederland in twee tranches uit te keren. (…) De eerste tranche van ca. 90% van het totaal uit te keren vermogen bestaat uit een bedrag van € 200 mln, te verdelen over de deelnemende lichamen aan de per 1 januari 2006 opgeheven IZA Nederland regeling, zijnde de Provincie Limburg en alle Nederlandse gemeenten die deelnamen aan de regeling.

    De grondslag voor de verdeling staat vermeld in de artikelen 41 en 42 van de IZA Nederland regeling. Deze artikelen luiden:

    Artikel 41

  11. Het algemeen bestuur zal, zodra tot opheffing is besloten, de ontbinding van het instituut voorbereiden en tevens de nodige voorzieningen treffen met betrekking tot de liquidatie overeenkomstig het volgende artikel.

    Artikel 42

    (…)

  12. Hetgeen overblijft nadat verder aan alle verplichtingen is voldaan, zal aan de deelnemende lichamen worden uitgekeerd in verhouding van de bijdrage van elk tot het totaal der bijdragen over de laatst verlopen drie kalenderjaren.

    (…)

    Ter uitvoering van het derde lid van artikel 42 is het totaal van alle bijdragen en het aandeel van ieder deelnemend lichaam daarin bepaald. De systematiek en de berekening die tot de uit te keren bedragen hebben geleid zijn ter toetsing voorgelegd aan een extern accountant en door hem van een goedkeurende verklaring voorzien. (..)”

    In het bijbehorende memo van IZA Nederland van 20 april 2009 is meegedeeld dat onder lichaam in de zin van de regeling wordt verstaan een “publiekrechtelijke rechtspersoon”.

    4.2.2. In de brief van het Landelijk Overleg gemeentelijke arbeidsvoorwaarden van 21 december 2005 is meegedeeld dat alle gemeenteambtenaren, post-actieven en hun gezinsleden recht hebben op een korting op de premie voor de basisverzekering van IZA Zorgverzekeraar NV en dat het de medewerker vrijstaat om een basisverzekering af te sluiten bij een andere zorgverzekeraar. Op grond van de CAO heeft de gemeenteambtenaar recht op een extra werkgeversbijdrage voor de ziektekosten. Deze vergoeding wordt jaarlijks uitgekeerd en wordt aangemerkt als loon. In die brief is voorts meegedeeld dat post-actieven vanwege de invoering van de Zorgverzekeringswet er financieel op achteruitgaan en dat daarom in het CAO-akkoord is opgenomen dat de post-actieven van 2006 tot en met 2012 een aflopende korting krijgen op hun aanvullende verzekering bij IZA Zorgverzekeraar NV als zij daar ook een basisverzekering hebben afgesloten.

    4.2.3. Omtrent de fiscale behandeling van de kortingen aan post-actieven heeft op 16 februari mr. [A] van [B] aan mr. [C] van de Belastingdienst [Q], het volgende bericht

    ”De kortingen worden gefinancierd uit de reserves die tijdens het bestaan van IZA Nederland (op basis van de IZA-regeling) zijn opgebouwd. Werkgeversdelen waren belast en werknemersdelen niet aftrekbaar voor de heffing van de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT