Kort geding van Hoge Raad, 18 oktober 2002

Datum uitspraak:18 oktober 2002
Uitgevende instantie::Hoge Raad
 
GRATIS UITTREKSEL

Nr. 37.681

18 oktober 2002

S

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van FinanciÎn tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 september 2001, nr. BK-99/00792, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

  1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

    Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 139.744.

    Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

    Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 39.664. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

  2. Geding in cassatie

    De Staatssecretaris van FinanciÎn heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

    Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft tevens voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld en daarbij een klacht aangevoerd.

    De Staatssecretaris heeft het voorwaardelijk incidentele beroep beantwoord.

  3. Beoordeling van de middelen

    3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

    Belanghebbende heeft op 9 mei 1989 een pand te Q gekocht, waarvan zij op 1 januari 1990 de parterre gedeeltelijk als winkel in gebruik heeft genomen. Het andere deel van de parterre was voorheen in gebruik als smederij en is, nadat het door de vorige eigenaar is ontruimd, leeg blijven staan. Het pand bestond voorts uit een bovenwoning van twee etages, waartoe een trap in de ten behoeve van de onderneming van belanghebbende gebruikte ruimte toegang verschafte. Deze ruimte en daarmee ook de trap waren eveneens vanuit de voormalige smederij bereikbaar.

    3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende de grenzen der redelijkheid niet heeft overschreden door het pand in zijn geheel tot haar privÈ-vermogen te rekenen.

    3.3. Middel I strekt ten betoge dat uit de door het Hof vastgestelde feiten volgt dat het pand in twee afzonderlijke gedeelten gesplitst kan worden, waardoor het...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT