Hoger beroep van Gerechtshof Amsterdam, 13 juli 2007

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:13 juli 2007
Uitgevende instantie::Gerechtshof Amsterdam
SAMENVATTING

Verdachte en zijn medeverdachten hebben tezamen met het investeringsvehikel Oxbridge gedurende een aantal jaren deelgenomen aan een samenwerkingsverband gericht op het systematisch en uiterst professioneel plegen van (fiscale) delicten en niet-ambtelijke omkoping. Door deelnemers aan dit samenwerkingsverband werden transacties verricht in winstvennootschappen en immateriële activa vanwege de... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

arrestnummer:

parketnummer: 23-001835-04

datum uitspraak: 13 juli 2007

TEGENSPRAAK

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 24 februari 2004 in de strafzaak onder parketnummer 13-120028-00 van het openbaar ministerie

tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres:

[adres].

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissing ten aanzien van het onder 2 en 4 tenlastegelegde (vrijspraak).

Het hoger beroep van het openbaar ministerie is, blijkens mededeling van de advocaat-generaal op de terechtzitting, evenmin gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissing ten aanzien van het onder 2 en 4 tenlastegelegde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 15 september 2003, 5, 8, 9, 12, 22, 26, 28, en 29 januari en 10 februari 2004 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 4 oktober 2005, 14 en 22 maart, 18, 21, 24, 25 en 28 april, 15, 16, 19, 23 en 29 mei, 6, 7, 9, 13, 20, 23, 26 en 27 juni, 26 september, 3 oktober en 19 december 2006, 19 januari, 20 maart, 25 en 29 juni 2007.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 15 september 2003 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging.

Van die dagvaarding en vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging, voorzover in hoger beroep nog aan de orde, wordt hier overgenomen.

De raadsman heeft aangevoerd dat de feitelijke omschrijving van de deelneming aan het verboden samenwerkingsverband onder 1, voor zover bevattende de woorden "het leggen en/of onderhouden van contacten" onvoldoende is om de verdachte in staat te stellen zich daartegen te verweren. Dit dient te leiden tot partiële nietigheid van de dagvaarding.

Het hof oordeelt anders.

Deze passage uit de tenlastelegging moet worden begrepen in de context van de tenlastelegging als geheel en kan dan ook niet anders worden verstaan dan als 'het leggen en/of onderhouden van contacten van dien aard dat zij als zodanig hebben bijgedragen aan de verwezenlijking van het oogmerk van de verboden organisatie'. Aldus begrepen acht het hof de in de tenlastelegging gestelde bijdrage niet onvoldoende feitelijk. Niet is vereist dat in de tenlastelegging in concreto is opgenomen welke contacten [naam verdachte] heeft gelegd of onderhouden die als zodanig hebben bijgedragen aan de verwezenlijking van het oogmerk van het samenwerkingsverband waaraan hij volgens die tenlastelegging zou hebben deelgenomen. Ook overigens is tijdens het verhandelde ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat [naam verdachte] niet zou hebben begrepen wat hem hier specifiek wordt verweten.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden vernietigd.

Toelichting

Anders dan te doen gebruikelijk zal het hof in dit arrest de verdachte, alsmede zijn medeverdachten in de 'American Energy'-zaken, F.L. [naam medeverdachte 3], G.J. [naam medeverdachte 6], B. [naam medeverdachte 5], J. [naam medeverdachte 4], S.M.M.A.J. [naam medeverdachte 2], en J.J.P. [naam medeverdachte 1], ten behoeve van de leesbaarheid ervan niet in alle gevallen aanduiden als 'verdachte' of 'de verdachte', c.q. (de) medeverdachte(n), maar verwijzen naar zijn/hun achternaam, en daarbij zo nodig tevens zijn, (mede)verdachtes, voorletters of voornaam vermelden.

Wat betreft de dossiervorming heeft het hof erop toegezien dat in de strafdossiers van elke strafzaak, behalve onder meer het gehele Fiod-dossier en de processen-verbaal van de terechtzittingen van de rechtbank en het hof, tevens zijn gevoegd:

- alle processen-verbaal van (getuigen)verhoor door de rechter-commissaris die in enige strafzaak tegen de bovengenoemde verdachten zijn opgemaakt,

- alle processen-verbaal van de terechtzittingen van de rechtbank te Amsterdam en van dit hof tegen enige van de hierboven genoemde verdachten, waaronder begrepen de processen-verbaal van de terechtzittingen van het hof waarin zijn neergelegd de verklaringen die de verdachte en zijn medeverdachten ieder in hun eigen strafzaak hebben afgelegd,

- alle documenten en bescheiden die door of namens enige van bovengenoemde verdachten in zijn zaak door de verdediging - in eerste en tweede aanleg - zijn overgelegd of die het hof op verzoek van enige verdachte dan wel ambtshalve heeft doen voegen in het dossier behorende bij enige van de hier bedoelde strafzaken.

Het hof heeft hiermee beoogd te bewerkstelligen dat iedere verdachte toegang heeft tot alle documenten en bescheiden, zowel belastend als ontlastend, die ter zitting ter sprake zijn gekomen dan wel die het hof in dit arrest aan de orde zal stellen. Alle verdachten en hun raadslieden zijn op verscheidene momenten in de gelegenheid gesteld om te reageren op aldus ingebrachte documenten, en zij hebben ermee ingestemd dat deze documenten geacht worden te zijn voorgehouden ter zitting.

Van een en ander heeft het hof evenwel uitgezonderd de pleitnota's van de raadslieden (zij zijn slechts gevoegd in het strafdossier behorende bij de strafzaak van hun cliënten), alsmede de documenten die specifiek betrekking hebben op de fraude in de sfeer van de inkomstenbelasting die de verdachten [naam verdachte], [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] telkens onder 3 is tenlastegelegd.

Voorts heeft het hof van deze 'transparantie' van het dossier uitgezonderd een verklaring die [naam medeverdachte 5] als verdachte heeft afgelegd ter zitting van 26 juni 2006. Weliswaar had het hof op deze dag gelijktijdig zitting in de zaken tegen [naam verdachte], [naam medeverdachte 2], [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 6], maar de verdediging (uitgezonderd die van [naam medeverdachte 6], voor wie mr. Pen ook optrad) was door het hof niet vooraf geïnformeerd dat in de andere strafzaken dan die van [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] inhoudelijke behandeling zou plaatsvinden, en zij hebben dan ook - niet onbegrijpelijk - verstek laten gaan.

Het hof heeft (vanzelfsprekend) kennis genomen van alle verweren en argumenten die in de hier bedoelde strafzaken zijn gevoerd c.q. te berde zijn gebracht, en het hof heeft zich telkens beraden of een bepaald verweer of argument niet alleen (rechts)gevolgen zou moeten hebben in de strafzaak tegen de verdachte ten behoeve van wie het verweer of het argument is (aan)gevoerd, doch ook of het verweer en/of argument effect zou dienen te sorteren in enige van de andere hier bedoelde strafzaken. Het hof heeft toegestaan dat raadslieden hebben verwezen naar specifieke punten uit de pleitnota's van hun confrères en zij worden geacht daarvan de essentie te hebben herhaald en ingelast in hun eigen pleidooien. Het hof heeft in dit arrest getracht blijk te geven van zijn daarop gebaseerde beraadslagingen. In dit arrest wordt dan ook op diverse plaatsen melding gemaakt van door de raadslieden van medeverdachten gevoerde verweren en aangevoerde argumenten.

Indien een door of namens een medeverdachte gevoerd verweer of een door of namens een medeverdachte ingenomen - uitdrukkelijk onderbouwd - standpunt in dit arrest onbesproken is gebleven, heeft de verdediging daarnaar niet verwezen, noch de essentie ervan herhaald en ingelast in het eigen pleidooi, behoudens indien de pleitnota van het tegendeel blijk geeft, en heeft het hof dit verweer of standpunt in de onderhavige strafzaak niet relevant geacht.

Tot niet-ontvankelijkheid c.q. bewijsuitsluiting strekkende verweren

  1. Het gelijkheidsbeginsel en de rol van de ABN AMRO Bank

    Namens de verdachten in de American Energy-zaak is meer of minder uitvoerig betoogd dat de omstandigheid dat ABN AMRO Bank N.V. (hierna: de Bank) zich niet strafrechtelijk heeft hoeven verantwoorden voor haar rol in deze affaire mee had moeten brengen dat vervolging van (de) verdachte(n) in deze zaak eveneens achterwege had moeten blijven. De verdediging van de verdachte(n) heeft in dit verband geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie c.q. tot strafvermindering.

    Het hof zal de verdediging hierin niet volgen.

    Aan het strafdossier zijn diverse malen al dan niet op verzoek van de verdediging bescheiden en documenten toegevoegd naar aanleiding van vragen die betrekking hadden op deze door de verdediging aangesneden kwestie. Op basis van dit aldus uitgebreide dossier is aannemelijk geworden dat (i) (het bestuur van) de Bank op uiteenlopende momenten door tussenkomst van de afdeling concernveiligheidszaken (vanaf 1994) was gewaarschuwd over (de achtergronden van) Oxbridge Ltd. en F. [naam medeverdachte 3], en (ii) door tussenkomst van de concern accountantsdienst (vanaf 1995) kritische kanttekeningen waren geplaatst bij het handelen van één van haar directeuren, S. [naam medeverdachte 2], en meer in het bijzonder het functioneren van de dochtervennootschap Van Doyer en Kalff B.V.. Desalniettemin heeft het hof aan het dossier onvoldoende tot geen aanwijzingen ontleend voor het bestaan van aan de Bank toe te rekenen wetenschap in onvoorwaardelijke zin van het criminele oogmerk van een samenwerkingsverband inzake de handel in winstvennootschappen waarbij de Bank partij was, en evenmin voor deelneming van de zijde van de Bank aan dit hiervoor...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT