Herziening van Hoge Raad, 27 november 2012

Datum uitspraak:27 november 2012
Uitgevende instantie::Hoge Raad
SAMENVATTING

Herziening. Afwijzing van de kennelijk ongegronde aanvraag.

 
GRATIS UITTREKSEL

27 november 2012

Strafkamer

nr. S 12/04167 H

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 4 juni 2010, nummer 20/001149-09, ingediend door mr. P.J. Signer, advocaat te Almere, namens:

[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950.

  1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

    Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank 's-Hertogenbosch van 24 maart 2009 - de aanvrager ter zake van 1. "Als ambtenaar een belofte aannemen, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen", 2. en 3. telkens "Valsheid in geschrift meermalen gepleegd", en 4. "Oplichting", veroordeeld tot zes maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en 200 uren werkstraf, subsidiair 100 dagen hechtenis.

  2. De aanvraag tot herziening

    De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

  3. Beoordeling van de aanvraag

    3.1. Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat - ware dit gegeven bekend geweest - het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepassing van een minder zware strafbepaling.

    3.2. Het Hof heeft - voor zover voor de beoordeling van de aanvraag van belang - in zijn arrest het volgende overwogen:

    "A. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

    A.1.

    Namens verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd, dat het beroepen vonnis dient te worden vernietigd en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn strafvervolging. Daartoe is het volgende aangevoerd.

    A.1.1.

    Het openbaar ministerie heeft geweigerd op vragen van de verdediging, de rechter-commissaris en het hof duidelijkheid te verschaffen over de vraag of de informatie opgenomen in het proces-verbaal d.d. 29 januari 2007 direct of indirect afkomstig is van [getuige 1].

    Subsidiair is door de verdediging verzocht het onderzoek ter terechtzitting te heropenen teneinde de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] alsnog de vraag te laten beantwoorden of de informatie die de informant heeft aangedragen direct of indirect van [getuige 1] afkomstig is en de getuige [getuige 3] de vraag te laten beantwoorden of de informant op 12 december 2006 was overgedragen aan de CIE van de Rijksrecherche.

    A.1.2.

    Onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie heeft oud CIE-chef van Gelderland Midden, te weten [betrokkene 1], bewust met de bedoeling de rechter-commissaris te misleiden twee verkeerde CIErunners als getuigen gepresenteerd, aangeduid als runner nummer 3 en runner nummer 4, welke getuigen tijdens het begin van de verhoren bij de rechter-commissaris hebben volhard in deze misleiding. Redengevend voor de wetenschap van [betrokkene 1] dat deze runners niet de juiste twee runners waren, is dat [betrokkene 1] voorafgaand aan de verhoren van deze runners overleg heeft gevoerd met leden van het openbaar ministerie over deze zaak en de reden van deze verhoren. Aangezien de advocaat-generaal, ondanks zijn toezegging na te zullen gaan wat de oorzaak was van deze gang van zaken, geen duidelijkheid hierover heeft verschaft moet het op grond van deze argumenten ervoor worden gehouden dat [betrokkene 1] en de twee runners doelbewust hebben geprobeerd het onderzoek te frustreren. Dit levert op een grove schending van artikel 6 van het EVRM op grond waarvan het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn strafvervolging.

    (...)

    A.1.6.

    De door de rechter-commissaris verstrekte machtiging voor de doorzoeking van de woning van verdachte is gebaseerd op een door verbalisant [verbalisant 1] in het proces-verbaal aanvraag doorzoeking woning volstrekt onjuist weergegeven voorstelling van feiten en derhalve onrechtmatig.

    Deze onjuiste voorstelling van zaken bestond uit het feit dat de rechter-commissaris onvolledig was geïnformeerd over het voortraject, hij droeg geen kennis van de dubbelrol van [getuige 1] en diens leugenachtige verklaringen en aan hem is op grond van onjuiste berekeningen een fiscale verdenking ten aanzien van verdachte gerechtvaardigd. Door op deze wijze te handelen heeft het onderzoeksteam de rechter-commissaris bewust onjuist en onvolledig ingelicht en zijn de rechten van verdachte op grove wijze veronachtzaamd.

    A.1.7.

    Verdachte is op 10, 11 en 12 december 2007 15 keer door de politie verhoord. Gedurende die periode is hij, ofschoon hij uitdrukkelijk daartoe had verzocht, niet in de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT