Eerste aanleg - enkelvoudig van Rechtbank Roermond, November 29, 2012

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:2012/11/29
Uitgevende instantie::Rechtbank Roermond
SAMENVATTING

Het informatieverzoek van eiser heeft vooral betrekking op de beoordeling van de vraag of de betreffende medewerkers op grond van hun aanstelling bevoegd zijn om namens de Raad besluiten te nemen. Het verzoek ziet dan ook op het beroepshalve functioneren van die medewerkers. Dit betreft een aspect van het openbaar bestuur en dient als een bestuurlijke aangelegenheid te worden aangemerkt. De omstandigheid dat die medewerkers geen ambtelijke aanstelling hebben, maar op... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

RECHTBANK ROERMOND

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 / 483

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 november 2012 in de zaak tussen

[eiser], te Echt, eiser

en

de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de verzoeken van eiser op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen.

Bij besluit van 29 februari 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij beslissing van 25 mei 2012 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat beperking van de kennisneming van de in die beslissing aangeduide stukken gerechtvaardigd is. Door partijen is aan de rechtbank toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb om mede op de grondslag van vermelde stukken uitspraak te doen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2012, waar eiser is verschenen en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. [naam] en mr. [naam].

Overwegingen

  1. Eiser heeft bij brieven van 2 en 3 december 2011 met een beroep op artikel 3, eerste lid, van de Wob de secretaris van de Raad voor de Rechtsbijstand (hierna: de Raad) verzocht om hem afschriften toe te zenden van de door de Raad [naam] (hierna: [naam]), drs. [naam] (hierna: [naam]), mr. drs. [naam] en mr. [naam] gesloten arbeidsovereenkomsten. Bij het primaire besluit heeft verweerder deze verzoeken met toepassing van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob afgewezen onder overweging dat openbaarmaking van de arbeidsovereenkomsten zodanig de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen raakt, dat het belang van openbaarheid niet opweegt tegen het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De arbeidsovereenkomsten bevatten immers uitsluitend gegevens die in de privésfeer liggen en openbaarmaking daarvan leidt, aldus verweerder, tot een ontoelaatbare inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokken medewerkers.

  2. Eiser heeft in bezwaar onder meer aangevoerd dat het publiek belang met zich meebrengt dat gecontroleerd moet kunnen worden of genoemde personen op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht als staffunctionaris bij het Bureau Wet beëdigde tolken en vertalers van de Raad werkzaam zijn, en dat gecontroleerd moet kunnen worden dat hun salaris binnen de zogeheten Balkenende-norm ligt. Eiser heeft betoogd dat openbaarmaking van de desbetreffende arbeidsovereenkomsten – met weglating van de privéadressen en privébankgegevens van betrokkenen – een daartoe geëigend middel is. Eiser heeft verder betoogd dat sprake is van (de schijn van) belangenverstrengeling omdat het primaire besluit door [naam] als direct belanghebbende is ondertekend.

  3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer gewezen op wat in de memorie van toelichting ten aanzien van artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob is aangegeven. Verweerder heeft op grond daarvan geconcludeerd dat de arbeidsovereenkomsten niet openbaar gemaakt hoeven te worden. Verder heeft verweerder gesteld dat uit de aan eiser toegezonden stukken, te weten de CAO, afgeleid kan worden in welke schaal de betrokken medewerkers werkzaam zijn, welke salariëring daarbij behoort en dat de salarissen binnen de Balkenende-norm liggen. Wat de schijn van belangenverstrengeling betreft, heeft verweerder erop gewezen dat het primaire besluit door verweerder is genomen en slechts namens verweerder is ondertekend door [naam]. Van enige belangenverstrengeling is volgens verweerder dan ook geen sprake.

  4. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat bij het bestreden besluit ten onrechte een non-existent besluit van 16 januari 2012 is gehandhaafd omdat op die datum geen enkel eiser betreffend en voor hem kenbaar besluit is genomen. Ten aanzien van de schijn van belangenverstrengeling heeft eiser betoogd dat [naam] op de hoorzitting heeft verklaard dat zij op grond van artikel 1...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT