Eerste aanleg - meervoudig van Rechtbank Utrecht, 21 december 2012

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:21 december 2012
Uitgevende instantie::Rechtbank Utrecht
SAMENVATTING

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde doodslag. Verdachte en zijn medeverdachte zijn de woning van een bejaarde man binnengedrongen met de bedoeling om geld uit die woning weg te nemen. Daarbij hebben zij niet geschroomd om het risico op de koop toe nemen dat een ander hierbij zou komen te overlijden. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 13 jaren.

 
GRATIS UITTREKSEL

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711406-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 december 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1982] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in P.I. Flevoland – Huis van Bewaring Almere Binnen te Almere,

raadslieden mrs. V.C. van der Velde en M.J. van Weerden, beiden advocaat te Almere.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 21 november 2012 en 10 december 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

samen met een ander een (gekwalificeerde) doodslag heeft gepleegd dan wel dat verdachte samen met een ander heeft ingebroken in de de woning van [slachtoffer] waarbij geweld is gebruik tegen [slachtoffer] waarna [slachtoffer] is overleden (in diverse varianten aan verdachte ten laste gelegd).

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair aan hem ten laste gelegde feit, (medeplegen van gekwalificeerde doodslag), heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Naar de mening van de verdediging dient verdachte te worden vrijgesproken. Daarnaast heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat hooguit sprake is van poging tot diefstal met geweld. Dit is echter niet aan verdachte ten laste gelegd.

Ter onderbouwing van deze standpunten heeft de verdediging ondermeer aangevoerd dat het scenario zoals dat door verdachte in zijn verklaringen is geschetst – het leveren van de ladder en de doekjes – een aannemelijke is, die bovendien niet wordt weerlegd door de inhoud van het dossier. De verdediging heeft erop gewezen dat de telecomgegevens, de tapgesprekken, de OVC-gesprekken en het aangetroffen DNA-materiaal geen bewijs leveren voor de betrokkenheid van verdachte. Ten aanzien van de verklaringen van de getuigen heeft de verdediging gesteld dat geen sprake is van ooggetuigen en dat het enkel gaat om de auditu-verklaringen waarmee omzichtig moet worden omgegaan. Ten aanzien van de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] heeft de verdediging bovendien aangevoerd dat deze verklaringen niet voor het bewijs mogen worden gebruikt omdat deze onbetrouwbaar zijn dan wel dat de verdediging haar ondervragingsrecht niet ten volle heeft kunnen benutten.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat geen sprake is van doodslag vanwege het ontbreken van het causale verband tussen het handelen van de verdachten en het overlijden van [slachtoffer]. Evenmin is sprake van voorwaardelijk opzet. Hiervan uitgaand stelt de verdediging dat hooguit sprake is van poging tot diefstal met geweld.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Het aantreffen van [slachtoffer]

Op 19 juni 2011 is de 80-jarige [slachtoffer](verder: [slachtoffer]) op de grond in de slaapkamer van zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] aangetroffen. De beide polsen van [slachtoffer] waren met tierips (kabelbinders) aan elkaar gebonden. Deze tierips waren ook onderling kruislings aan elkaar verbonden door de tierips door elkaar te steken. De enkels van [slachtoffer] waren met duct tape gebonden. De duct tape was om de enkels en ook tussen de benen door gewikkeld. Over de mond van [slachtoffer] waren stroken duct tape geplakt. Deze stroken hebben de neusgaten van [slachtoffer] niet geblokkeerd. Uit de neusgaten van [slachtoffer] was bloed gelopen. Ook was er schuim zichtbaar in beide neusgaten. Het overlijden van [slachtoffer] werd vastgesteld.

Tegen de zijgevel van de woning van [slachtoffer] is een aluminium ladder aangetroffen die reikte tot het geopende slaapkamerraam van [slachtoffer].

De doodsoorzaak

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] zijn bevindingen vastgesteld die passen bij een overlijden door verstikking door het afplakken van de mond (‘belemmering van de luchtwegen’) en door het uitoefenen van geweld op de mond, hetgeen heeft geleid tot algehele weefselschade door zuurstofgebrek. Er zijn letsels aan tong en lippen gezien die bij leven zijn ontstaan door de inwerking van uitwendig mechanisch botsend, al dan niet gecombineerd met samendrukkend geweld op de mond zoals bij belemmeren of smoren met structuren zoals tape. Bij de sectie is geen andere oorzaak voor het overlijden gevonden. Uit de uitkomsten van het toxicologisch onderzoek kan het overlijden van [slachtoffer] niet worden verklaard.

4.3.1 Forensisch onderzoek

Onderzoek op de plaats delict (PD)

Onderzoek in en om de woning

Tijdens het forensisch onderzoek in en om de woning van [slachtoffer] zijn geen sporen van braak aangetroffen. De benedenverdieping van de woning is onverstoord gebleken. Op de binnen- en buitenzijde van de raamkozijnen van de slaapkamer waarin [slachtoffer] is aangetroffen, zijn handschoensporen gevonden. Deze sporen worden verklaard door het in- en uitklimmen via dit raam. Een aantal kamers op de bovenverdieping is doorzocht. In deze ruimten zijn eveneens handschoensporen gevonden. Deze sporen lijken terug te brengen tot de afdrukken van minimaal twee verschillende soorten handschoenen. Uit de woning zijn geen goederen of geldbedragen ontvreemd.

De ladder

De zoon van [slachtoffer], getuige [slachtoffer], heeft hierover verklaard dat hij een vreemde ladder zag staan toen hij bij de woning van zijn vader aankwam op 19 juni 2011. Op 18 juni 2011 om 22.30 stond deze ladder er nog niet. Een buurvrouw, getuige [getuige 4], heeft verklaard dat zij de ladder voor het eerst zag staan op 19 juni 2011 om 07.30 uur.

DNA-onderzoek

De ladder is veiliggesteld voor nader onderzoek. De ladder is eerst in zijn geheel binnen in de woning geplaatst, de twee uiteinden van de ladder zijn verwijderd en ingezonden naar het Nederlands Forensisch Instituut. Op de beide uiteinden van de ladder zijn microvezeldoekjes aangetroffen, die waren omwikkeld (vastgezet) met duct tape. Deze doekjes zijn eerst bemonsterd terwijl deze nog om de uiteinden van de ladder waren bevestigd. Van de beide uiteinden van de ladder zijn aanvankelijk de delen van de stukken textiel die niet door tape zijn bedekt, bemonsterd.

In van deze bemonsteringen, voorzien van de kenmerken AADO1068NL#01 (linkeruiteinde van de ladder) en AADO1069NL#01 (rechteruiteinde van de ladder), is respectievelijk een onvolledig DNA-mengprofiel en een complex DNA-mengprofiel gevonden. .

Na verwijdering van de duct tape zijn de microvezeldoekjes in zijn geheel aan beide zijden bemonsterd (de sporen met kenmerken AADO1068NL# 04 en AADO1068NL#05 en AADO1069NL# 04 en AADO1069NL#05).

De bemonstering AADO1068NL#05 bevat een afgeleid DNA-hoofdprofiel van één persoon en zwak aanwezige DNA-kenmerken van minimaal één andere persoon. Uit de relatief hoge pieken in dit profiel kan op basis van het verschil in piekhoogte, een combinatie van DNA-kenmerken worden afgeleid die naar verwachting afkomstig is van één mannelijke donor, van wie relatief veel celmateriaal in de bemonstering aanwezig is. Het DNA-profiel van [verdachte] (verder: verdachte) matcht met dit afgeleide DNA-hoofdprofiel. Dit betekent dat hij donor kan zijn van het celmateriaal in deze bemonstering met een berekende frequentie van één op één miljard.

De bemonstering AADO1069NL#01 bevat een relatief grote hoeveelheid celmateriaal van minimaal twee en maximaal vier personen daarnaast mogelijk een geringe hoeveelheid celmateriaal van minimaal één andere persoon. Uit het DNA-profiel kunnen geen DNA-profielen van...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT