Hoger beroep van Gerechtshof Leeuwarden, 21 december 2012

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:21 december 2012
Uitgevende instantie::Gerechtshof Leeuwarden
SAMENVATTING

De verdachte wordt verdacht van moord subsidiair doodslag, gepleegd ten opzichte van haar echtgenoot. Het hof stelt allereerst vast dat sprake is van een misdrijf en niet van de door de verdediging gestelde zelfdoding door het slachtoffer. Over het aan de verdachte ten laste gelegde overweegt het hof het volgende. Het tactisch onderzoek heeft geen redengevende feiten en/of omstandigheden opgeleverd, op grond waarvan de betrokkenheid van de verdachte bij het aan haar ten laste gelegde kan blijken. De uit het tactisch onderzoek blijkende en voortvloeiende feiten en/of omstandigheden stijgen naar het oordeel van het... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-001798-09

Uitspraak d.d.: 21 december 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 9 juli 2009, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1965] te [geboorteplaats],

postadres: [postadres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 29 december 2009, 18 januari 2010, 13 april 2010, 8 juli 2010, 12 oktober 2010, 17 november 2010, 18 januari 2011, 15 april 2011, 5 juli 2011,

30 september 2011, 8 februari 2012, 3 december 2012, 4 december 2012, 6 december 2012 en 10 december 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis van de eerste rechter, vrijspraak van de verdachte ter zake van het primair aan haar ten laste gelegde en tot veroordeling van de verdachte ter zake van het subsidiair aan haar ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen aan de rechthebbende(n) zal gelasten en voorts bij einduitspraak de schorsing van de voorlopige hechtenis zal opheffen. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door de verdachte en haar raadslieden, mr. A.M.C.J. Baaijens en mr. H.S.K. Jap A Joe, ter terechtzittingen in hoger beroep is aangevoerd.

Verzoek van de verdediging

Mr. Baaijens heeft ter terechtzitting van het hof van 10 december 2012 een (herhaald) verzoek gedaan, strekkende tot het instellen van cassatie in het belang van de wet, overigens zonder dit verzoek nader te onderbouwen.

Het hof verstaat dit verzoek aldus dat de verdediging het hof verzoekt mee te werken aan het bevorderen dat de procureur-generaal bij de Hoge Raad een vordering instelt tot cassatie in het belang der wet. Het betreft hier een verzoek dat eerder is ingediend door de verdediging en waarop door het hof eerder - bij tussenarrest van 22 juli 2010 - is beslist, in die zin dat het hof dit verzoek heeft afgewezen.

Nu door de verdediging geen nieuwe of nadere argumenten zijn aangevoerd ter onderbouwing van het verzoek, wijst het hof dit verzoek andermaal af, op identieke gronden als genoemd in het tussenarrest van het hof van 22 juli 2010.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Het hof zal het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht vernietigen omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 9 oktober 2008 tot en met 20 oktober 2008 in de gemeente [gemeente] opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, in elk geval met een scherp voorwerp, die [slachtoffer] meermalen, in elk geval eenmaal, in de borst en/of hals/keel, in elk geval in het lichaam, gestoken/gesneden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

zij in of omstreeks de periode van 9 oktober 2008 tot en met 20 oktober 2008 in de gemeente [gemeente] opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een mes, in elk geval met een scherp voorwerp, die [slachtoffer] meermalen, in elk geval eenmaal, in de borst en/of de hals/keel, in elk geval in het lichaam, gestoken/gesneden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

  1. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte

    De voorzitter heeft de inhoudelijke behandeling van de strafzaak in hoger beroep bepaald op 3, 4, 6 en 10 december 2012. De verdediging is hiervan op de hoogte gesteld.

    Vervolgens heeft de verdediging het hof bij schrijven van 3 oktober 2012 verzocht om te voorzien in een spoedprocedure ex artikel 415 juncto artikel 324 van het Wetboek van Strafvordering. Met het oog daarop heeft de verdediging het hof op voorhand een pleitnota d.d. 3 oktober 2012 doen toekomen. Dit verzoek is nadien herhaald bij brief van de verdediging van 18 oktober 2012.

    De voorzitter heeft bij brief van 12 oktober 2012 laten weten dat het op 3 oktober 2012 ingediende verzoek van de verdediging is afgewezen. Bij brief van 31 oktober 2012 is aan de verdediging te kennen gegeven dat het gestelde in de brief van de verdediging van 18 oktober 2012 geen aanleiding vormt om hierop terug te komen.

    De verdediging heeft ter terechtzitting van het hof op 10 december 2012 pleidooi gehouden. In dat pleidooi is primair aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte.

    Concrete feiten en omstandigheden op grond waarvan het hof tot dit oordeel zou moeten komen zijn ter terechtzitting niet door de verdediging aangevoerd.

    Het hof stelt daarbij voorop dat de verdediging ter terechtzitting niet de inhoud van de op voorhand aan het hof gezonden pleitnota d.d. 3 oktober 2012 heeft voorgedragen. De verdediging heeft evenmin een expliciet verzoek aan de voorzitter gedaan om toestemming om af te zien van integrale voordracht van dit stuk.

    Op de inhoud van dit stuk zal het hof daarom niet responderen.

    Uitzondering hierop vormt uitsluitend een lijst met volgens de verdediging ontbrekende (proces)stukken, als genoemd in paragraaf 6.3 van de pleitnota van de verdediging d.d. 3 oktober 2012. Dat onderdeel is wél expliciet voorgedragen door de verdediging ter terechtzitting op 10 december 2012, echter zonder dat daarbij door de verdediging is aangevoerd wat de consequenties dienen te zijn van het ontbreken van deze informatie als deze al bestaat.

    Ter terechtzitting op 10 december 2012 is door de verdediging niet een verzoek aan het hof gericht, strekkende tot toevoeging aan het strafdossier van de volgens de verdediging ontbrekende stukken.

    Evenmin is ter terechtzitting op 10 december 2012 in het kader van het verweer, strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, door de verdediging aangevoerd dat sprake is van een situatie waarin de met opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waarbij doelbewust, dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan haar recht op een eerlijke behandeling van de zaak tekort is gedaan. Dit is het hof ook overigens niet gebleken.

    Met...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT