Voorlopige voorziening+bodemzaak van Rechtbank Den Haag, Voorzieningenrechter, 3 april 2013

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak: 3 april 2013
Uitgevende instantie::Voorzieningenrechter
SAMENVATTING

Herhaalde aanvraag / homoseksualiteit / prejudiciële vragen Verzoeker legt aan zijn herhaalde aanvraag ten grondslag dat hij sinds zijn twaalfde of dertiende levensjaar homoseksueel is en verzoekt om aanhouding van zijn zaak in verband met de prejudiciële vragen die de Afdeling op 20 maart 2013 heeft gesteld over de wijze waarop de geloofwaardigheid van iemands gestelde seksuele geaardheid mag... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 13/7049 (voorlopige voorziening)

AWB 13/7048 (beroep)

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 april 2013

inzake

[verzoeker], geboren op 18 maart 1971 en van Iraakse nationaliteit, verzoeker

(gemachtigde mr. K.J. Meijer),

tegen

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (dan wel diens rechtsvoorgangers),

verweerder

(gemachtigde mr. F.M. Ticheler).

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2013 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen, waarbij tevens aan verzoeker een inreisverbod is opgelegd voor de duur van twee jaar.

Verzoeker heeft op 13 maart 2013 tegen dit besluit beroep ingesteld. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende het beroep een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is behandeld op de zitting van

26 maart 2013, waar verzoeker is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening, maar ook in de beroepszaak.

Eerdere asielaanvragen

2. Verzoeker heeft eerder, te weten op 8 september 2008, een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Bij besluit van 24 april 2009 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 24 februari 2010, zaaknummer AWB 09/15929, is het door verzoeker tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 1 juni 2010, zaaknummer 201002613/1/V3. Hiermee is het besluit van 24 april 2009 in rechte vast komen te staan.

Verzoeker heeft op 1 februari 2011 een tweede aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Bij besluit van 9 februari 2011 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 10 maart 2011, zaaknummers: AWB 11/4641 en 11/4640, is het door verzoeker tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is bevestigd door de Afdeling bij uitspraak van 24 mei 2011, zaaknummer 201103328/1/V2. Hiermee is het besluit van 9 februari 2011 in rechte vast komen te staan.

Huidige asielaanvraag en het door de bestuursrechter in acht te nemen toetsingskader

3. Op 5 maart 2013 heeft verzoeker zijn huidige aanvraag ingediend. Verzoeker heeft ter onderbouwing van de onderhavige aanvraag aangevoerd dat hij sinds zijn twaalfde of dertiende levensjaar homoseksueel is. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van

13 maart 2012 afgewezen. Dit besluit is van gelijke strekking als de eerdergenoemde besluiten van 24 april 2009 en 9 februari 2011. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 6 maart 2008, zaaknummer 200706839/1, vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van betroep tegen dat laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slecht indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Enkel op grond van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden kan noodzaak bestaan om deze in het nationale recht neergelegde procedureregels niet tegen te werpen, zo blijkt uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in de zaak van Bahaddar tegen Nederland, LJN: AG8817.

Aanhoudingsverzoek

4. Verzoeker heeft zich beroepen op diverse uitspraken van deze rechtbank en de verwijzing naar de correspondentie van de Afdeling van 18 februari 2013 inzake de door de Afdeling te stellen prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. Verzoeker heeft gevraagd het onderhavige verzoek toe te wijzen en de behandeling van het beroep aan te houden totdat deze vragen beantwoord zijn.

5. De...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT