Raadkamer van Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 6 mei 2013

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak: 6 mei 2013
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Hertogenbosch
SAMENVATTING

Klaagster stelt dat beklaagde, hoofdconducteur bij NS, haar heeft mishandeld. In een tussenbeschikking beslist het hof dat beklaagde wordt opgeroepen om hem te horen.

 
GRATIS UITTREKSEL

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling strafrecht

Klachtnummer: K12/0522

Tussenbeschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 6 mei 2013 inzake het beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering van:

A,

wonende te P,

hierna te noemen: klaagster,

te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van mr. H.F. van Kregten, advocaat te Waddinxveen,

over de beslissing van de officier van justitie te Middelburg tot het niet vervolgen van:

B,

wonende te Q,

hierna te noemen: beklaagde,

wegens mishandeling.

De feitelijke gang van zaken.

Op 11 februari 2012 heeft klaagster aangifte gedaan van mishandeling, beweerdelijk jegens haar gepleegd door beklaagde.

Op 1 augustus 2012 is namens de officier van justitie aan klaagster bericht dat de zaak niet zal worden vervolgd omdat er onvoldoende wettig en/of overtuigend bewijs aanwezig is om de verdachte met succes strafrechtelijk te vervolgen.

Hierop is namens klaagster bij schrijven van 24 oktober 2012 een klaagschrift ingediend bij het hof, ingekomen ter griffie van het hof op 26 oktober 2012, met het verzoek de vervolging te bevelen.

De advocaat-generaal heeft in het schriftelijk verslag van 4 februari 2013 het hof geraden het beklag af te wijzen.

Op 8 april 2013 is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld in aanwezigheid van klaagster en haar advocaat.

De advocaat-generaal heeft in raadkamer gepersisteerd bij het schriftelijk verslag.

De beoordeling.

Klaagster heeft op 11 februari 2012 aangifte gedaan van mishandeling door beklaagde, hoofdconducteur bij NS en tevens buitengewoon opsporingsambtenaar.

Klaagster heeft in haar aangifte verklaard dat zij op 11 februari 2012 per trein reisde naar Goes. Toen zij werd gecontroleerd door beklaagde heeft zij tegen beklaagde gezegd dat zij geen tijd had gehad om een kaartje te kopen. Hierop vroeg beklaagde om haar legitimatiebewijs; zij heeft toen haar paspoort afgegeven. Beklaagde is vervolgens begonnen met het uitschrijven van een uitstel van betaling. Volgens klaagster begon beklaagde vervolgens neerbuigend te doen. Bovendien weigerde hij bij het naderen van Goes het paspoort terug te geven aan klaagster. Vervolgens hebben zowel klaagster als beklaagde de trein verlaten. Omdat beklaagde nog steeds het paspoort niet had teruggegeven heeft klaagster het paspoort op enig moment uit zijn handen gepakt. Klaagster stelt dat beklaagde toen dicht bij haar kwam staan, waarop zij haar hand tegen zijn borst heeft gezet om hem op afstand te houden...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT