Hoger beroep van Gerechtshof Amsterdam, 18 juni 2013

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:18 juni 2013
Uitgevende instantie::Gerechtshof Amsterdam
SAMENVATTING

6:162 BW, 75 Wbb Gemeente koopt gebouwen en bedrijfsterrein van drukkerij. Exoneratiebeding verhindert verhaal kosten sanering van aangekochte grond. Niet aannemelijk dat gemeente schade lijdt als eigenaar van omliggende terreinen voor kosten van onderzoek en sanering daarvan. Zie ook de tussenarresten van 04-05 2006 (LJN: CA3538), 27-12-2011 (LJN:CA3541) en 01-05-2012 (LJN:3543)

 
GRATIS UITTREKSEL

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer gerechtshof : 106.000.666/01

zaak-/rolnummer rechtbank : 03158 / HA ZA 93-705

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 juni 2013

inzake

de GEMEENTE HAARLEM,

zetelend te Haarlem,

appellante in de hoofdzaak, verweerster in het incident

advocaat: mr. M.E. Biezenaar te Haarlem,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[ X ],

gevestigd te [ plaatsnaam ],

geïntimeerde in de hoofdzaak, eiseres in het incident,

advocaat: mr. G.C.W. van der Feltz te Den Haag.

  1. Het geding in hoger beroep

    De partijen worden hierna wederom de Gemeente en [ X ] genoemd.

    1.1 Op 1 mei 2012 heeft het hof in deze zaak een derde tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding tot die dag verwijst het hof naar dat arrest.

    1.2 De Gemeente heeft zich daarna bij akte uitgelaten. [ X ] heeft daarop bij antwoordakte gereageerd.

    1.3 Partijen hebben de zaak ter zitting van 31 oktober 2012 doen bepleiten door hun respectieve advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. De Gemeente heeft nog producties in het geding gebracht, waarop [ X ] bij brief van 25 oktober 2012 heeft gereageerd.

    1.4 Ten slotte is andermaal arrest gevraagd.

  2. Beoordeling

    2.1 De in deze zaak gewezen tussenarresten van 27 december 2011 (het tweede tussenarrest) en 1 mei 2012 (het derde tussenarrest) hadden betrekking op de incidentele vordering van [ X ] tot volledige inzage van een in 1995 gesloten Convenant tussen de Staat, de provincie Noord-Holland en de Gemeente, alsmede de Nota Kostenverhaal Bodemsanering van 19 november 1996. Bij het derde tussenarrest heeft het hof die vordering afgewezen.

    Omdat de combinatie die het tweede en het derde tussenarrest heeft gewezen vorenbedoelde stukken in het kader van de incidentele vordering heeft ingezien, maakt geen van de leden daarvan deel uit van de combinatie die het onderhavige arrest wijst. Bedoelde stukken maken geen deel uit van de processtukken en de inhoud daarvan is de huidige combinatie niet bekend.

    2.2 De grieven 1 tot en met 9 hebben alle betrekking op de aansprakelijkheid van [ X ] als verkoper jegens de Gemeente als koper voor de ernstige bodemverontreiniging van het [ X ]-terrein. Het hof heeft in zijn tussenarrest van

    4 mei 2006 (het eerste tussenarrest) deze grieven van de Gemeente (wat betreft grief 6 impliciet) verworpen.

    Grief 11 heeft geen zelfstandige betekenis en kan onbesproken blijven.

    Ter beoordeling staat thans nog alleen grief 10. Daarover heeft het hof in het eerste tussenarrest overwogen (rov. 3.23), zakelijk weergegeven, dat ernstige verontreiniging van omliggende percelen toebehorend aan een derde in beginsel -zo voegt het hof thans toe- onrechtmatig is jegens die derde, en voorts dat onvoldoende betwist is dat omliggende percelen die in eigendom toebehoren aan de Gemeente en het grondwater daaronder, onder meer met trichloorethyleen (hierna: tri) zijn verontreinigd. In dat verband heeft het hof de volgende -zakelijk weergegeven- vragen geformuleerd:

    1. welke onderzoeken hebben plaatsgevonden naar de beweerdelijk van het [ X ]-complex afkomstige tri-vervuilingen van de grond onder de Bakenessergracht en eventuele andere in eigendom van de Gemeente zijnde percelen?

    2. beschikt de Gemeente over gegevens waaruit de vervuiling alsmede de herkomst daarvan blijkt?

    3. heeft de Gemeente besloten tot het treffen van saneringsmaatregelen ten aanzien van de hier bedoelde verontreinigingen?

    4. beschikt [ X ] over gegevens waaruit kan blijken dat door haar genoemde andere bedrijven de tri-verontreiniging (onder de Bakenessergracht) hebben veroorzaakt?

    2.3 Partijen hebben ter comparitie inlichtingen gegeven en getracht een minnelijke regeling te bereiken. Dat laatste is niet gelukt waarna het debat van partijen is voortgezet.

    De Gemeente heeft in § 2 van haar memorie na comparitie haar na het eerste tussenarrest resterende vordering nog eens geformuleerd. Zij vordert samengevat- dat het hof [ X ] zal veroordelen aan de Gemeente te betalen de kosten van onderzoeken en sanering van de aan de Gemeente in eigendom toebehorende, door [ X ] verontreinigde terreinen, waaronder de tri-verontreiniging onder de Bakenessergracht, op te maken bij staat.

    2.4 Voor de beoordeling van deze vordering is allereerst van belang dat tussen partijen vaststaat dat (eerste tussenarrest rov. 3.1. sub 5) de bodem en het grondwater onder het [ X ]-complex ernstig tot zeer ernstig vervuild waren met onder andere tri. Eveneens staat tussen partijen vast dat de ondergrond van de Bakenessergracht met tri verontreinigd is (eerste tussenarrest rov. 3.23). In haar memorie na comparitie heeft de Gemeente nog een korte samenvatting gegeven van de verontreinigingssituatie aan de hand van de beschikking van haar college van Burgemeester en Wethouders van 2 juli 2008. Onderwerp van deze Saneringsbeschikking is het voormalig bedrijfsterrein van [ X ] en de drie vlekken grondwaterverontreiniging in het ondiepe (freatisch pakket), middeldiepe (strandwalpakket) en diepe (eerste watervoerend pakket) grondwater onder de Bakenessergracht en omgeving. De Gemeente wijst er op dat in het kader van de Wet Milieubeheer de gehele verontreiniging als één geval wordt beschouwd.

    Waar het voor de beoordeling van grief 10 kort gezegd om gaat is of –zoals de Gemeente stelt maar [ X ] betwist- de gehele tri-verontreiniging door [ X ] veroorzaakt is. Gelet op de betwisting door [ X ] dient de Gemeente voldoende concrete feiten te stellen, en zonodig te bewijzen, waaruit kan volgen dat de tri-verontreiniging van de omliggende percelen door [ X ] is veroorzaakt in die zin dat komt vast te staan dat de verontreiniging van die percelen een uitvloeisel is van de verontreiniging van het [ X ]-complex. Het hof achtte zich dienaangaande nog onvoldoende ingelicht en heeft daarom in het eerste tussenarrest de onder 2.2 aangehaalde vragen gesteld.

    2.5 De Gemeente heeft zich over deze vragen als volgt uitgelaten.

    2.5.1 De toenmalige advocaat van de Gemeente heeft in § 6 van zijn brief van 10 november 2006, gericht aan de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT