Hoger beroep van Centrale Raad van Beroep, 18 juni 2013

Datum uitspraak:18 juni 2013
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Herziening en terugvordering bijstand. Verlaging bijstand appellante voor de duur van een maand met 30% wegens schending van de inlichtingenverplichting door geen juiste opgave te doen van haar woonsituatie. De onderzoeksgegevens in samenhang bezien met de door appellante en haar dochter afgelegde verklaringen bieden een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat gedurende de periode... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

11/4167 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 juli 2011, 10/6522 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage (college)

Datum uitspraak 18 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.H. Samama, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2013. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 11/4168 WWB. Appellante, daartoe opgeroepen, is verschenen, bijgestaan door mr. Samama. Het college, daartoe opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door I.M. Groen. In de gevoegde zaak is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

  1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

    1.1. Appellante ontvangt sinds 1 augustus 1996 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm van een alleenstaande verhoogd met een toeslag van 20% van het minimumloon. Appellante staat ingeschreven op het adres [adres 1] te [woonplaats]. [naam dochter], dochter van appellante, staat sinds 9 februari 2007 ingeschreven op het adres [adres 2] te [woonplaats]. Op 13 augustus 2009 is [naam dochter] bevallen van een dochter die op dit adres is bijgeschreven. Een tweede dochter van appellante, [naam tweede dochter], staat sinds 14 april 1999 ingeschreven op het adres [adres 2] te [woonplaats]. Op 5 oktober 2002 is de dochter van [naam tweede dochter.] op dat adres bijgeschreven.

    1.2. Op 14 mei 2008 en op 29 juni 2009 hebben huisbezoeken plaatsgevonden op het adres van appellante. Bij beide huisbezoeken was [naam dochter] in de woning van appellante aanwezig. [naam dochter] heeft op 14 mei 2008 verklaard dat zij drie á vier dagen bij haar moeder verblijft in verband met (wederzijdse) zorg en op 29 juni 2009 dat zij wegens haar zwangerschap wat vaker bij haar moeder verblijft. Tevens is tijdens deze huisbezoeken geconstateerd dat [naam dochter] een ingerichte (slaap)kamer in de woning van appellante in gebruik had. Daarnaast is een onderzoek verricht naar de woonsituatie van [naam dochter], waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 6 oktober 2009. Naar aanleiding van de bevindingen van deze onderzoeken en de gegevens over het energie- en waterverbruik op de adressen van appellante en haar dochters, heeft de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT