Cassatie van Hoge Raad, 21 juni 2013

Datum uitspraak:21 juni 2013
Uitgevende instantie::Hoge Raad
SAMENVATTING

Beëindiging pachtovereenkomst. Aanvulling van de bij opzegging vermelde gronden? Art. 7:370 lid 1 aanhef en onder a BW.

 
GRATIS UITTREKSEL

21 juni 2013

Eerste Kamer

12/01882

LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. BEHEER- EN BELEGGINGSMAATSCHAPPIJ DE MOLENSTEEN B.V.,

gevestigd te Vught,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. M.J. van Basten Batenburg,

t e g e n

1. [verweerder 1],

wonende te [woonplaats],

2. [Verweerster 2],

gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaten: mr. J.W.H. van Wijk en mr. M.M. van Asperen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als De Molensteen, [verweerster 2] en [verweerder 1].

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 566225 CV EXPL 8752/2009 en 566669 CV EXPL 8838/2009 van de pachtkamer, sector kanton, te Tilburg van 6 januari 2010, 2 juni 2010 en 8 september 2010,

b. het arrest in de zaak 200.075.355 en 200.075.359 van de pachtkamer van het gerechtshof te Arnhem van 17 januari 2012.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft De Molensteen beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster 2] en [verweerder 1] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De conclusie van de Advocaat-Generaal A. Hammerstein strekt tot verwerping.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De Molensteen heeft in 1999 percelen grond met daarop een boerderij in de gemeente Waalwijk gekocht.

De Molensteen heeft met [verweerster 2] afspraken gemaakt over het gebruik van de boerderij en de percelen. In een geschil over die afspraken heeft de pachtkamer van het gerechtshof Arnhem bij arrest van 2 maart 2004 bepaald dat tussen De Molensteen en [verweerster 2] een pachtovereenkomst bestaat die eindigt op 30 juni 2011.

(ii) De Molensteen heeft bij pachtovereenkomst van 22 maart 2001 aan [verweerder 1] gronden verpacht. [Verweerder 1] is directeur van [verweerster 2].

(iii) Bij exploot van 30 maart 2009 heeft De Molensteen beide pachtovereenkomsten tegen 30 juni 2011 opgezegd. Zij heeft de opzegging gebaseerd op (a) de in art. 7:370 lid 1, aanhef en onder a, BW genoemde grond dat de bedrijfsvoering door [verweerder 1], respectievelijk [verweerster 2] niet is geweest zoals een goed pachter betaamt en [verweerder 1], respectievelijk [verweerster 2] anderszins ernstig is tekortgeschoten, en (b) de in art. 7:370 lid 1, aanhef en onder c, BW genoemde grond dat een redelijke afweging van de wederzijdse belangen in het voordeel van De Molensteen uitvalt.

3.2 De Molensteen vordert in de onderhavige procedures tegen [verweerster 2] en [verweerder 1], die door de pachtkamer van de rechtbank afzonderlijk en door de pachtkamer van het hof gevoegd zijn behandeld, het tijdstip vast te stellen waarop de pachtovereenkomsten zullen eindigen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep op de opzeggingsgrond, hiervoor in 3.1 onder (iii) genoemd onder a, niet slaagt, maar dat het beroep op de daar onder b genoemde grond wel opgaat. De rechtbank heeft bepaald dat de pachtovereenkomsten zullen eindigen op 30 juni 2011.

Het hof heeft de vonnissen van de rechtbank vernietigd en de vorderingen van De Molensteen tegen [verweerster 2] en [verweerder 1] afgewezen. Daartoe heeft het hof onder meer als volgt overwogen. De Molensteen heeft in hoger beroep aangevoerd dat [verweerster 2] en [verweerder 1] op de bij uitstek als weidegrond geschikte pachtgronden akkerbouwgewassen hebben geteeld. Dit verwijt, dat redelijkerwijs niet kan worden beschouwd als een uitwerking van het reeds in de opzegging gebezigde verwijt, moet buiten beschouwing blijven omdat de verpachter ingevolge...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT