Hoger beroep van Centrale Raad van Beroep, 19 juni 2013

Datum uitspraak:19 juni 2013
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Tussenuitspraak. De Raad verbindt aan de vaststelling in 7.3.1 de conclusie dat de bestreden besluiten gebrekkig zijn gemotiveerd. Hij ziet aanleiding het Uwv opdracht te geven dit gebrek te herstellen en uitgaande van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen nader te motiveren of en zo ja, op grond van welke wettelijke bepaling(en), rekening houdend met de Insolventierichtlijn, de... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

12/687 WW-T e.a.Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamerTussenuitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van22 december 2011, 11/1351 e.a. (aangevallen uitspraak)Partijen:[Appellant 1.] te [woonplaats] en twaalf anderen zoals vermeld op het aan deze uitspraak gehechte overzicht (appellanten)de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)PROCESVERLOOPNamens appellanten heeft mr. R.G.P. Voragen, advocaat, hoger beroep ingesteld.Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.Het onderzoek ter zitting heeft in alle zaken gelijktijdig plaatsgevonden op 8 mei 2013. [Appellant 7] is verschenen, bijgestaan door mr. Voragen, die ook voor de andere appellanten is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman. Als getuige is gehoord [Naam getuige A.] (getuige [getuige A.]).OVERWEGINGEN1.1. Appellanten zijn werkzaam geweest in dienst van [naam BV]. Zij zijn op 25 mei 2010 dan wel 10 juni 2010 bij [naam BV] uit dienst getreden en aansluitend in dienst getreden bij [Naam BLV] is op 7 juli 2010 in staat van faillissement verklaard. Appellanten hebben bij het Uwv een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluiten van 9 augustus 2010 heeft het Uwv deze uitkering geweigerd. Het Uwv heeft het standpunt betrokken dat [naam BV] is overgenomen door [naam bedrijf 2] en dat [naam bedrijf 2] is gehouden aan appellanten het loon te betalen dat zij nog van [naam BV] tegoed hebben.1.2. Appellanten hebben tegen de besluiten van 9 augustus 2010 bezwaar gemaakt. Bij besluiten van 5 januari 2011 (bestreden besluiten) heeft het Uwv de bezwaren ongegrond verklaard en zijn besluiten van 9 augustus 2010 gehandhaafd. Het Uwv heeft nader gemotiveerd op welke gronden hij tot zijn opvatting is gekomen dat als gevolg van een overgang van onderneming als bedoeld in artikel 7:663 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de verplichtingen van [naam BV] zijn overgegaan op [naam bedrijf 2].2. Appellanten hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Zij hebben op diverse gronden betoogd dat van een overname van de onderneming van [naam BV] door [naam bedrijf 2] geen sprake is geweest. Zij hebben verder aangevoerd dat de besluitvorming in bezwaar niet zorgvuldig is geweest, onder andere omdat het Uwv op hun bezwaren heeft beslist zonder hen in de gelegenheid te hebben gesteld die op een hoorzitting toe te lichten. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft het Uwv aan de hand van de beschikbare gegevens terecht vastgesteld dat er sprake is geweest van een overgang van onderneming. Omdat in de rechtspraak tot uitdrukking is gebracht dat de overnemingsregeling van Hoofdstuk IV van de WW naar aard en strekking een laatste redmiddel is, kan aan appellanten worden tegengeworpen dat zij hebben nagelaten [naam bedrijf 2] aan te spreken. Van een schending van de hoorplicht, zoals door appellanten gesteld, is volgens de rechtbank geen sprake geweest, omdat appellanten bewust en expliciet van een hoorzitting hebben afgezien. Een beroepsgrond van appellanten over het gelijkheidsbeginsel faalt volgens de rechtbank eveneens.3.1. Appellanten hebben in hoger beroep hun stelling herhaald dat [naam bedrijf 2] niet de onderneming van [naam BV] heeft overgenomen. Er zijn wel werknemers van [naam BV] bij [naam bedrijf 2] in dienst getreden en [naam bedrijf 2] is wel dezelfde werkzaamheden gaan verrichten als [naam BV], maar van het overnemen van opdrachten, facturatie of materieel is geen sprake geweest. De verklaring van [Naam getuige A.] ter zitting van de rechtbank dat werknemers van [naam bedrijf 2] opdrachten van [naam BV] hebben afgemaakt, is niet juist. Ook is ten onrechte ervan uitgegaan dat [naam bedrijf 2] geleasede busjes van [naam BV] heeft overgenomen. Appellanten hebben de bescherming van artikel 7:663 van het BW gemist. [naam bedrijf 2] was niet in staat om de loonbetalingsverplichtingen van [naam BV] over te nemen en is zelf op 22 februari 2011 in staat van faillissement verklaard. Appellanten menen daarom recht te hebben op een uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de WW. Zij hebben ten slotte betwist dat zij bewust en expliciet van een hoorzitting hebben afgezien en hebben hun beroep op het gelijkheidsbeginsel gehandhaafd.3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Hij bespreekt in deze tussenuitspraak in 5.1.1 tot en met 5.6 eerst de beroepsgrond die appellanten hebben gericht tegen het oordeel van de rechtbank over het afzien van de hoorplicht, vervolgens in 6.1 tot en met 6.7 de beroepsgronden tegen het oordeel van de rechtbank over de overgang van onderneming en in 7.1.1 tot en met 7.3.2 de beroepsgronden tegen het oordeel van de rechtbank over het gevolg van het niet aanspreken van [naam BV] door appellanten. De beroepsgrond over het gelijkheidsbeginsel zal zo nodig in de einduitspraak worden besproken.5.1.1. Op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt het Uwv belanghebbenden in de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT