Cassatie van Hoge Raad, November 21, 2008

Datum uitspraak:2008/11/21
Uitgevende instantie::Hoge Raad

21 november 2008

Eerste Kamer

Nr. C07/081HR

EV/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1],

2. [Eiseres 2],

beiden wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans,

t e g e n

De rechtspersoon naar publiek recht HET WATERSCHAP RIVIERENLAND, als rechtsopvolger van het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden,

zetelende te Tiel,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. M.W. Scheltema.

Eisers tot cassatie zullen hierna ook gezamenlijk worden aangeduid als [eiser], verweerder in cassatie zal hierna worden aangeduid als het Waterschap.

1. Het geding in feitelijke instantie

Het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (hierna: het Hoogheemraadschap) heeft bij exploot van 3 mei 2004 [eisers] gedagvaard voor de rechtbank Dordrecht ingevolge art. 62 van de Onteigeningswet juncto art. 27 van de Wet op de waterkering en ten behoeve van de versterking van de dijk tussen dijkpaal [...], gelegen ter hoogte van het pand [a-straat 1], en dijkpaal [...], gelegen ter hoogte van het pand [b-straat 1], met bijkomende werken, in de gemeente Zederik, gevorderd ten name van het Hoogheemraadschap vervroegd uit te spreken de onteigening van de in de dagvaarding omschreven perceelsgedeelten ter grootte van 0.00.68 hectare (grondplannummer [001]), 0.19.07 hectare (grondplannummer [002]) en 0.00.37 hectare (grondplannummer [003]) van de onderscheidenlijke percelen kadastraal bekend gemeente Lexmond, sectie [A], nr. [004], gemeente Zederik, sectie [B], nr. [005] en gemeente Lexmond, sectie [A], nr. [006], waarvan [eisers] als ieder voor 1/2 gedeelte als eigenaars zijn aangewezen en het bedrag van de schadeloosstelling vast te stellen op € 12.000,-- voor iedere gedaagde.

Bij vonnis van 15 december 2004, dat op 12 mei 2005 is ingeschreven in de openbare registers, heeft de rechtbank onder meer de gevorderde onteigening vervroegd uitgesproken, het voorschot op de schadeloosstelling voor iedere gedaagde vastgesteld op € 12.000,--, bepaald dat het Hoogheemraadschap het bijkomend aanbod gestand doet, en drie deskundigen en een rechter-commissaris benoemd.

Na een tussenvonnis van 20 september 2006 waarin een aanvullend onderzoek door de deskundigen is gelast, heeft de rechtbank bij eindvonnis van 17 januari 2007, voor zover in cassatie van belang, de schadeloosstelling vastgesteld op € 54.500,--, waarin begrepen het reeds betaalde voorschot van € 24.000,--, en het Waterschap als rechtsopvolger van het Hoogheemraadschap veroordeeld om tegen kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 30.500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 mei 2005 tot de algehele voldoening. Deze vonnissen zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

[Eiser] heeft tegen het tussenvonnis en het eindvonnis van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.

De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het Waterschap heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep op de in de onderdelen I-III van het middel aangevoerde gronden en tot referte terzake van onderdeel IV.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor het Waterschap mede door mr. S.M. Kingma, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis van 17 januari 2007 en tot verwijzing.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 19 september 2008 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1.1 Onderdeel I betreft de vergoeding wegens waardevermindering van het overblijvende. Het werk waarvoor onteigend is, voorziet ter plaatse van het onteigende in de aanleg, ten noorden van de oude Lekdijk, van een nieuwe dijk, waarvan de kruinhoogte op 7,60 m + NAP zal liggen. Het overblijvende bestaat onder meer uit een perceel aan de noordkant van de oude Lekdijk waarop een in 1998 gebouwd woonhuis staat dat zich bevindt aan de rand van de bebouwde kom van Lexmond. De nieuwe dijk zal het weidse uitzicht over de uiterwaarden van de Lek vanuit dit woonhuis en de daarbij liggende lager gelegen grond belemmeren. Die belemmering zal echter voor een belangrijk deel worden veroorzaakt door buiten de onteigende perceelsgedeelten gelegen delen van de nieuwe dijk; alleen op het oostelijke deel van het onteigende zal een stuk van de nieuwe dijk komen te liggen dat een hoogte van (nagenoeg) 7,60 m + NAP bereikt.

3.1.2 De deskundigen hebben geadviseerd dat - anders dan het Waterschap betoogde - ook de waardeverminderende invloed van het dijkgedeelte dat op relatief geringe afstand van de noordgevel van het woonhuis wordt aangelegd op niet van [eiser] onteigende grond in aanmerking moet worden genomen. De rechtbank heeft de deskundigen hierin gevolgd, waarbij zij verwees naar het arrest "Sweeres" (HR 20 februari 2004, nr. 1391, NJ 2004, 409) (rov. 40-42 van het tussenvonnis). De rechtbank oordeelde evenwel in afwijking van het deskundigenadvies - maar in overeenstemming met het standpunt daaromtrent van het Waterschap - (rov. 43-46 van het tussenvonnis) dat voor de vergoeding wegens waardevermindering van het overblijvende (uitzichtschade) niet slechts de art. 39 en 41 van de Onteigeningswet (hierna: Ow) relevant zijn, maar ook de rechtspraak in planschadezaken, zulks ter voorkoming van een onredelijk resultaat. In dat kader heeft de rechtbank (rov. 47 en 48 van het tussenvonnis) rekening gehouden met de omstandigheid dat al in de maand augustus 1997, nog voor de aankoop door [eiser], voor de direct betrokkenen, onder wie [eiser], voorzienbaar was dat uit de verschillende destijds onderzochte alternatieven voor de noodzakelijke dijkversterking gekozen zou worden voor dijkverlegging zoals die thans wordt gerealiseerd en dat in ieder geval voor [eiser] op het moment van aankoop aanleiding bestond om rekening te houden met de aanmerkelijke kans dat een dijk zou worden gelegd aan de achterkant van de te bouwen woning. Op grond hiervan heeft de rechtbank beslist (rov. 49 van het tussenvonnis) dat de schade (verlies van uitzicht) ten gevolge van de aanwezigheid van de dijk voor zover gelegen buiten het onteigende voor rekening van [eiser] dient te blijven.

3.2.1 Het onderdeel klaagt dat de rechtbank van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan waar zij oordeelde dat de planschadejurisprudentie, met inbegrip van het voorzienbaarheidscriterium dat daarin een rol speelt, in aanmerking moet worden genomen bij de vaststelling van de waardevermindering van het overblijvende wegens uitzichtschade. Deze klacht is, zoals hierna wordt uiteengezet, gegrond.

3.2.2 De in art. 41 Ow bedoelde vergoeding van de mindere waarde van het overblijvende, die een onderdeel is van de in art. 40 Ow bedoelde volledige vergoeding voor alle schade die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn zaak lijdt, strekt ertoe te voorkomen dat de onteigende als gevolg van de onteigening in zijn vermogenspositie wordt aangetast doordat het overblijvende in waarde vermindert. Het gaat er hierbij om dat de onteigende ook die schade vergoed krijgt die daarin bestaat dat het complex (het geheel van het onteigende en het overblijvende) voor de onteigening meer waard was dan de som van de aan hem vergoede werkelijke waarde van het onteigende en de verkoopwaarde van het overblijvende. De te vergoeden waardevermindering van het overblijvende moet dan ook volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad worden begroot op dat verschil.

3.2.3 In het kader van de hiervoor in 3.2.2 bedoelde begroting zal, naast de bepaling van de werkelijke waarde van het onteigende, zowel de waarde van het complex voor de onteigening als de waarde van het overblijvende moeten worden bepaald. Het gaat daarbij, evenals bij de bepaling van de werkelijke waarde van het onteigende, telkens om de prijs, als in art. 40b lid 2 Ow bedoeld, die tot stand zou komen bij een onderstelde koop in het vrije commerciële verkeer tussen de onteigende als redelijk handelende verkoper en een redelijk handelende koper, zij het dat in bijzondere gevallen de waarde naar een andere objectieve maatstaf kan worden bepaald. De rechter zal daarbij de waarde van het complex moeten bepalen zonder rekening te houden met het werk waarvoor onteigend wordt (hierna: het werk) en de plannen daarvoor. Bij de waardebepaling van het overblijvende moet hij daarentegen wel rekening houden met de toekomstige aanwezigheid van het werk, maar alleen voor zover dat op het onteigende wordt aangelegd. Tevens moet hij daarbij rekening houden met het gebruik van het werk overeenkomstig het doel waartoe dat werk strekt, maar zulks alleen indien dat gebruik op het onteigende plaatsvindt. De waardevermindering van het overblijvende als gevolg van de aanwezigheid van het werk buiten het onteigende en van het gebruik daarvan dat niet op het onteigende plaatsvindt wordt niet vergoed omdat die waardevermindering geen schade is die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn zaak lijdt. Of ter zake daarvan wel aanspraak bestaat op planschadevergoeding, staat - uiteindelijk - ter beslissing aan de planschaderechter.

3.2.4 Voor de aldus in overeenstemming met de strekking van de art. 40 en 41 van de Onteigeningswet te begroten waardevermindering van het overblijvende is dus - onverminderd art. 39 Ow, dat ziet op omstandigheden die in deze zaak niet aan de orde zijn - niet van belang in hoeverre de onteigende reeds ten tijde van zijn aankoop van het complex of delen daarvan rekening heeft kunnen of behoren te houden met de naderende aanleg van het werk en de waardevermindering die daarvan het gevolg zal zijn.

3.2.5 Het arrest "Sweeres" betrof de waardevermindering van het overblijvende als gevolg van de te verwachten overlast ten gevolge van het gebruik van het werk - de spoorbanen van de Betuweroute - overeenkomstig het doel waartoe dat werk strekte. Bij de waardebepaling van het overblijvende moest met die overlast rekening worden gehouden omdat...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT