Besluit verzekeringskeuringen ex-kankerpatiënten

Besluit van 2 november 2020, houdende regels voor verzekeringskeuringen van ex-kankerpatiënten ten behoeve van het afsluiten van overlijdensrisicoverzekeringen en uitvaartverzekeringen (Besluit verzekeringskeuringen ex-kankerpatiënten)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 13 juli 2020, 2020-118913, directie Financiële Markten, gedaan mede namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op artikel 14, derde lid, van de Wet op de medische keuringen;De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 augustus 2020, nr. W06.20.0265/III; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 28 oktober 2020, 2020-0000153498, directie Financiële Markten, uitgebracht mede namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1
  1. Dit besluit is van toepassing op keuringen in verband met het aangaan of wijzigen van: a. overlijdensrisicoverzekeringen met een verzekerde som van ten hoogste de vragengrens voor levensverzekeringen, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de medische keuringen, en een looptijd die eindigt voordat de persoon op wiens leven de verzekering betrekking heeft, de leeftijd van 71 jaar bereikt; en b. uitvaartverzekeringen die worden aangegaan of afgesloten voordat de persoon op wiens leven de verzekering betrekking heeft de leeftijd van 61 jaar bereikt. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt onder overlijdensrisicoverzekering verstaan: een levensverzekering die alleen recht geeft op een uitkering indien de persoon op wiens leven de verzekering betrekking heeft, voor een in de polis genoemde datum komt te overlijden.

Artikel 2
  1. De vraag of er bij een keurling in het verleden kanker is gediagnosticeerd is een onevenredige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de keurling in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wet op de medische keuringen, indien: a. er naar het oordeel van de hulpverlener die de keurling heeft behandeld, sprake was van volledige remissie, inhoudende dat de ziekteactiviteit naar het oordeel van die hulpverlener niet meer detecteerbaar is; en b. er, gerekend vanaf het moment waarop volledige remissie in de zin van onderdeel a wordt vastgesteld, gedurende een onafgebroken periode van tien jaar geen terugkeer van de kanker is gediagnosticeerd. 2. Indien de keurling op het moment dat de kanker werd gediagnosticeerd jonger was dan 21 jaar, bedraagt de in het eerste lid van dit artikel bedoelde termijn vijf jaar.

Artikel 3

In afwijking van artikel 2 gelden kortere termijnen waarna aan een keurling niet meer mag worden gevraagd of hij in het verleden aan een bepaalde vorm van kanker heeft geleden, indien: a. het een vorm van kanker betreft waarvoor naar algemeen aanvaarde medische inzichten en actuariële en statistische gegevens de kans op terugkeer van die kanker al na kortere tijd zo gering is dat het prudentieel belang van de verzekeraar niet zwaarwegend genoeg meer is om nog naar die vorm van kanker te vragen; en b. er op grond van artikel 9 van de Wet op de medische keuringen afspraken zijn gemaakt tussen representatieve organisaties van patiënten en verzekeraars over de met betrekking tot die vorm van kanker te hanteren termijnen.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2021.

Artikel 5

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit verzekeringskeuringen ex-kankerpatiënten.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. ’s-Gravenhage, 2 november 2020Willem-AlexanderDe Minister van Financiën, W.B. HoekstraDe Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge

Uitgegeven de zeventiende november 2020 De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

§ 1. Inleiding

Dit besluit heeft betrekking op de vragen die een verzekeraar bij het aangaan of wijzigen van een overlijdensrisicoverzekering of uitvaartverzekering mag stellen over iemands ziekteverleden als kankerpatiënt. Kern van het besluit is dat het de verzekeraar slechts gedurende een bepaalde termijn is toegestaan vragen te stellen over dat ziekteverleden, nadat iemand kankervrij is. Het voornemen tot dit besluit is aangekondigd in de brief van de Minister van Financiën van 12 december 2019.1

§ 2. Hoofdlijnen van het besluit

Bij het aangaan van een overlijdensrisicoverzekering of een uitvaartverzekering wordt een aspirant-verzekerde ook gevraagd of hij in het verleden kanker heeft gehad. Deze vraag is op dit moment meestal niet in tijd begrensd, ook niet wanneer iemand reeds langere tijd kankervrij is. Gevolg is dat ex-kankerpatiënten bij het afsluiten van overlijdensrisicoverzekeringen of uitvaartverzekeringen vaak nog jarenlang aan verzekeraars moeten blijven melden dat zij ooit kanker hebben gehad. Dit kan ertoe leiden dat zij niet als verzekerde worden geaccepteerd of alleen tegen een (aanzienlijk) hogere premie, zelfs wanneer zij al jaren kankervrij zijn en de kans op terugkeer van de kanker statistisch gezien zeer klein is geworden. Voor ex-kankerpatiënten kan dit vergaande consequenties hebben. Niet zelden is het afsluiten van een overlijdensrisicoverzekering een voorwaarde om een hypotheek of een bedrijfskrediet te kunnen krijgen. Het niet (of slechts tegen een aanzienlijk hogere premie) kunnen afsluiten van zo’n verzekering beperkt ex-kankerpatiënten dan ook in hun mogelijkheden om, na een ernstige ziekte te hebben overwonnen, hun leven weer op te pakken. Maar ook als een verzekeraar bereid is ex-kankerpatiënten wel tegen een redelijke premie te verzekeren, kan het belastend zijn om bij een verzekeringsaanvraag weer geconfronteerd te worden met een ziekteverleden dat de verzekeringnemer graag voorgoed achter zich zou laten.

Verzekeraars vragen, mede vanwege de prudentiële eisen die aan verzekeraars worden gesteld, naar het ziekteverleden van aspirant-verzekerden. Verzekeringen hebben betrekking op de financiële gevolgen van een onzeker voorval. In het geval van overlijdensrisicoverzekeringen of een uitvaartverzekering betreft dit onzekere voorval het tijdstip van iemands overlijden. Een verzekeraar moet risico’s goed kunnen inschatten, teneinde te kunnen bepalen of het prudentieel verantwoord is het risico te dekken en welke premie passend is. Dit maakt het voor verzekeraars noodzakelijk vragen te stellen over iemands levensstijl of gezondheid; vragen die ongemakkelijk of confronterend kunnen zijn voor de kandidaat-verzekerde en die in die zin zijn of haar persoonlijke levenssfeer raken. Dit geldt in beginsel ook voor de vraag of iemand kanker heeft of in het verleden heeft gehad. Ook in gevallen waarin na medische behandeling de kanker niet meer detecteerbaar is (in deze toelichting aangeduid als kankervrij zijn) blijft, gedurende een bepaalde periode, de kans aanwezig dat de kanker toch nog terugkeert.

Er komt echter een moment waarop het niet langer gerechtvaardigd is om de kans op terugkeer van kanker in de risicobeoordeling te blijven betrekken. Wanneer een ex-kankerpatiënt al langere tijd kankervrij is en de statistische kans op terugkeer van de kanker nog maar zeer klein is, dient vanaf een bepaald moment het belang van de ex-kankerpatiënt zwaarder te wegen dan het belang van de verzekeraar om nog vragen te mogen stellen over het ziekteverleden als ex-kankerpatiënt. Dit niet alleen met het oog op de individuele belangen van ex-kankerpatiënten, maar ook vanwege het maatschappelijke belang van toegankelijkheid van verzekeringen.

§ 3. Wettelijk kader

Dit besluit is gebaseerd op artikel 14, derde lid, van de Wet op de medische keuringen (Wmk). De sinds 1 januari 1998 geldende Wmk regelt de rechtspositie van degenen die een medische keuring ondergaan in verband met een burgerlijkrechtelijke arbeidsverhouding of een pensioens-, levens- of arbeidsongeschiktheidsverzekering. Vragen over iemands gezondheidstoestand zijn een medische keuring in de zin van die wet en overlijdensrisicoverzekeringen en uitvaartverzekeringen zijn een levensverzekering. De Wmk vormt daardoor een passend wettelijk kader om de gewenste regeling voor ex-kankerpatiënten te realiseren.

De Wmk bepaalt in artikel 3, eerste lid, in algemene zin dat geen vragen mogen worden gesteld en geen onderzoeken worden verricht die een onevenredige inbreuk betekenen op de persoonlijke levenssfeer van de keurling. Artikel 14, derde lid, Wmk biedt een grondslag om daarover bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen. Het onderhavige besluit haakt aan bij de algemene regel uit artikel 3, eerste lid, Wmk door te regelen dat na verloop van tijd niet meer mag worden gevraagd of iemand in het verleden kanker heeft gehad die al langere tijd niet is teruggekeerd. Na verloop van tijd is het stellen van die vragen gelet op de maatschappelijk verantwoorde balans tussen de toegankelijkheid van verzekeringen voor ex-kankerpatiënten enerzijds en het belang van een redelijke risico-inschatting anderzijds niet langer gerechtvaardigd. Daarmee vormen dergelijke vragen, wanneer zij gesteld zouden worden, een onevenredige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de ex-kankerpatiënt. Stelt een verzekeraar deze vragen toch, dan bepaalt artikel 11 Wmk dat de keurling het recht heeft om zijn medewerking te weigeren. Concreet betekent dit dat een ex-kankerpatiënt geen informatie over dit ziekteverleden hoeft te verstrekken als een overlijdensrisicoverzekeraar of uitvaartverzekeraar daar in strijd met dit besluit toch naar vraagt. Eventuele geschillen hierover kan de aanvrager voorleggen aan het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening.

Wanneer een aspirant-verzekerde een aanvraag doet voor een overlijdensrisicoverzekering of uitvaartverzekering, kan een verzekeraar al kennis hebben van het feit dat zijn...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT