Uitspraak Nº 08-051403-20 (P). Rechtbank Overijssel, 2020-07-28

Datum uitspraak:28 juli 2020
Uitgevende instantie::Rechtbank Overijssel
 
GRATIS UITTREKSEL
RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08-051403-20 (P)

Datum vonnis: 28 juli 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1964 in [geboorteplaats] ,

wonende in [adres] ,

thans verblijvende: P.I. Almelo te Almelo.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 juli 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. Hoekstra en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. D.G. Hassink, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging van 14 juli 2020, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 1 februari 2017 tot en met 25 februari 2020 drugs heeft gedeald;

feit 2: op 25 februari 2020 een hoeveelheid van 300 gram Amfetamine voorhanden had.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van februari

2017 tot en met 25 februari 2020 te Zwolle, althans in Nederland,

(telkens) opzettelijk

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht

en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad

een hoeveelheid van een materiaal bevattende Amfetamine, zijnde

Amfetamine (telkens)

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 25 februari 2020 te Zwolle, althans in Nederland,

opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 300 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende Amfetamine, zijnde Amfetamine

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen
4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de verklaring van verdachte en de zich in het dossier bevindende getuigenverklaringen, beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde kan worden bewezen voor zover het de periode van begin 2018 tot 25 februari 2020 betreft. Voor het dealen van drugs in de periode daarvoor lopen de getuigenverklaring uiteen, zodat verdachte voor dat deel dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde gesteld dat daarvoor een bewezenverklaring kan volgen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte in de periode van februari 2017 tot en met december 2017 drugs heeft gedeald. De rechtbank zal verdachte van het dealen van drugs in die periode dan ook vrijspreken.

De rechtbank acht het overige ten laste gelegde onder 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van deze ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.1

1. het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 juli 2020, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte, als bedoeld in artikel 359, derde lid laatste volzin Sv;

2. het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van 26 februari 2020, pagina 83;

3. het (nagekomen) proces-verbaal NFiDENT van verbalisant [verbalisant 4] van 18 mei 2020;

4. het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] van 4 mei 2020, pagina 97;

5. het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 27 februari 2020, pagina 59;

6. het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 4 maart 2020, pagina’s 66 en 67.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT