Uitspraak Nº 13/751021-20. Rechtbank Amsterdam, 2020-07-31

Datum uitspraak:2020/07/31
Uitgevende instantie::Rechtbank Amsterdam
 
GRATIS UITTREKSEL
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751021-20

RK nummer: 20/771

Datum uitspraak: 31 juli 2020

TUSSEN-UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 februari 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 31 augustus 2015 door the Circuit Court in Poznań (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[naam opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in [adres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

Zitting 10 maart 2020

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 10 maart 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn advocaten mr. H.A.F.C. Tack en

mr. M.A.C. de Bruijn, beiden advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

Tussenuitspraak 24 maart 2020

Bij tussenuitspraak van 24 maart 20201 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en meteen geschorst om de officier van justitie en de verdediging in de gelegenheid te stellen om hun schriftelijke zienswijze te geven op de meest recente ontwikkelingen betreffende de Poolse rechtsstaat, in het bijzonder op de vraag hoe deze ontwikkelingen concreet zouden doorwerken in de op de rechtbank rustende verplichting tot beantwoording van de vragen (‘stappen’) die voortvloeien uit het arrest in de zaak Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) van 25 juli 20182.

Aan de officier van justitie en de verdediging is de gelegenheid gegeven om hun schriftelijke zienswijzen uiterlijk op 21 april 2020 bij de rechtbank in te dienen, welke termijn door de rechtbank is verlengd tot 19 mei 2020, en daarna tot 25 mei 2020.

Tevens heeft de rechtbank in haar tussenuitspraak meegedeeld dat de uitspraak na de heropening ná 21 april 2020 zou plaatsvinden.

Raadkamer 9 april 2020

In raadkamer van 9 april 2020 is met betrekking tot de overleveringsdetentie besloten dat, hoewel de beslistermijn van 90 dagen is verstreken, dit niet tot schorsing van de overleveringsdetentie leidt.

Zienswijzen

Op 18 mei 2020 heeft de verdediging haar zienswijze ingediend, waarna een aanvulling daarop is ingediend op 7 juni 2020.

De officier van justitie heeft (na verleend uitstel) haar zienswijze op 26 mei 2020 overgelegd.

Uitspraak 12 juni 2020

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 12 juni 2020 gesloten en direct een tussenuitspraak gedaan.3

De officier van justitie is verzocht om, in het kader van de in het arrest Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) van het Hof van Justitie verplichte dialoog, nadere vragen te stellen aan uitvaardigende justitiële autoriteit in Polen.

Op respectievelijk 25 juni en 7 juli 2020 zijn deze vragen door de justitiële autoriteit beantwoord, met uitzondering van de vragen betreffende de Supreme Court. Hieromtrent is geantwoord dat de rechtbank zich tot de Supreme Court moet wenden.

Onder verwijzing naar de zinsnede “De rechtbank verzoekt de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit deze vragen ten spoedigste te beantwoorden, zo nodig na om de bijstand van de centrale autoriteit of een van de centrale autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat in de zin van artikel 7 van het kaderbesluit te hebben verzocht (zie ook het arrest van het HvJ van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru , C 404/15 en C 659/15 PPU, EU:C:2016:198, punt 97).”, is de officier van justitie op 10 juli 2020 verzocht vraag A nogmaals te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

De officier van justitie heeft vervolgens door tussenkomst van Eurojust vraag A ook direct aan de Supreme Court gesteld. Hierop is geen antwoord gekomen.

Zitting 17 juli 2020

De behandeling van de vordering is hervat op de openbare zitting van 17 juli 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern.

Vanwege de maatregelen die door de rechtbank zijn genomen in verband met de uitbraak van

het coronavirus is de opgeëiste persoon door middel van telehoren gehoord vanuit de Penitentiaire Inrichting waar hij is gedetineerd.

De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn advocaten mr. H.A.F.C. Tack en mr. M.A.C. de Bruijn, beiden advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.

2 Ontvankelijkheid officier van justitie in de vordering ex 23 OLW

Door de raadslieden is primair aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat de officier van justitie niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. De reden hiervoor is dat van de tien inhoudelijke vragen die door de rechtbank in haar tussenuitspraak van 12 juni 2020 zijn gesteld, er slechts twee zijn beantwoord door de Poolse justitiële autoriteiten. Op 10 juli 2020 heeft de rechtbank nogmaals verzocht om (een deel van) de vragen te beantwoorden, maar dit heeft evenmin tot een volledig antwoord geleid.

Dit betekent dat bijna alle benodigde informatie ontbreekt. Op basis van het arrest Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) is de rechtbank verplicht om bij de Poolse justitiële autoriteiten alle noodzakelijke gegevens op te vragen en dat is ook gebeurd. De rechterlijke dialoog, onder meer genoemd in overwegingen 76-78 van dit arrest, is echter niet van de grond gekomen. Dat moet gevolgen hebben. Duidelijk is dat er een gevaar bestaat dat de opgeëiste persoon in Polen geen eerlijk proces krijgt. Ook is duidelijk dat de rechtbank de ernst van dat gevaar niet deugdelijk kan beoordelen omdat haar vragen niet (voldoende) zijn beantwoord door de Poolse justitiële autoriteiten.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit verweer niet slaagt. Uit het arrest Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) blijkt niet wat het gevolg moet zijn van het niet (volledig) aangaan van de dialoog door de uitvaardigende justitiële autoriteit. Uit de Overleveringswet volgt dit evenmin. De rechtbank is van oordeel dat het ontbreken van antwoorden op grond van de Overleveringswet niet reeds op voorhand tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie leidt.

3. Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, Poolse
rechtsstaat

3.1

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

I. Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU).

Artikel 19, eerste lid, tweede alinea, VEU luidt als volgt:

De lidstaten voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren.

II. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).

Artikel 47, tweede alinea, Handvest luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. (…)

III. Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, PbEG 2002, L 190/1, zoals gewijzigd bij Kaderbesluit 2009/299/JBZ, PbEU 2009, L 81/24.

Artikel 1 van Kaderbesluit 2002/584/JBZ luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Artikel 1

Verplichting tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel

1. Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.

(…)

3. Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, wordt aangetast.

Artikel 6 van Kaderbesluit 2002/584/JBZ luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Artikel 6

Bevoegde rechterlijke autoriteiten

1. De uitvaardigende rechterlijke autoriteit is de rechterlijke autoriteit van de uitvaardigende lidstaat die bevoegd is om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen krachtens het recht van de uitvaardigende lidstaat.

(…)

3. Iedere lidstaat deelt het secretariaat-generaal van de Raad mee welke rechterlijke autoriteit volgens zijn interne recht bevoegd is.

Nationaal recht

IV. De Wet van 29 april 2004 tot implementatie van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (Overleveringswet), Stb. 2004, 195, zoals laatstelijk gewijzigd bij wet van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82.

De Overleveringswet zet de bepalingen van Kaderbesluit 2002/584/JBZ om. In plaats van het begrip “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” gebruikt de Overleveringswet het begrip “uitvaardigende justitiële autoriteit”. Hetzelfde geldt, mutatis mutandis, voor het begrip “uitvoerende rechterlijke autoriteit”.

...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT