Uitspraak Nº 13/752019-19. Rechtbank Amsterdam, 2020-07-30

Datum uitspraak:30 juli 2020
Uitgevende instantie::Rechtbank Amsterdam
 
GRATIS UITTREKSEL
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752019-19

RK nummer: 20/6

Datum uitspraak: 30 juli 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 18 december 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 24 oktober 2019 door de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,

wonende op het adres [adres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 16 juli 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. K. Durdu, advocaat te Rotterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsmandaat bij verstek van 24 oktober 2019, afgeleverd door de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan twee naar Belgisch recht strafbare feiten (feit A en feit B).

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1.

Genoegzaamheid van feit A waarvoor de overlevering wordt verzocht

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat feit A in het EAB niet genoegzaam is omschreven. De aanleiding om de opgeëiste persoon in België als verdachte aan te merken blijft onduidelijk. In het EAB wordt enkel oppervlakkig verwezen naar telefonische contacten die de opgeëiste persoon met de medeverdachten zou hebben onderhouden, maar niet blijkt waaruit deze contacten zouden hebben bestaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit A waarvoor de overlevering wordt verzocht, genoegzaam dient te worden geacht. Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 30 maart 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:2036), heeft zij erop gewezen dat de gegrondheid van de verdenking niet door de Nederlandse overleveringskamer getoetst dient te worden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

In de onderhavige zaak geldt het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat het verweer van de raadsman niet kan slagen. De opgeëiste persoon wordt - zo begrijpt de rechtbank – voor feit A door de Belgische autoriteiten, kort gezegd, verdacht van deelname aan een criminele organisatie te [plaatsnaam] (België), in ieder geval te België, in een nog nader te bepalen periode, doch in ieder geval op 21 april 2019. Daarnaast wordt hij verdacht van het medeplegen van het betreden en/of binnendringen van een plaats waar de aangetroffen personen...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT