Uitspraak Nº 16/00031. Gerechtshof Amsterdam, 2017-08-24

Datum uitspraak:24 augustus 2017
Uitgevende instantie::Gerechtshof Amsterdam
 
GRATIS UITTREKSEL
GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 16/00031

24 augustus 2017

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep van

[X] te [Z] , belanghebbende,

gemachtigde: A. Oosters, respectievelijk

de heffingsambtenaar van de gemeente [Y], de heffingsambtenaar

tegen de uitspraak van 7 december 2015 in de zaken met kenmerk AMS 15/600 en AMS 15/561 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding
1.1.

Bij beschikking van 31 januari 2014 heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak [A straat] te [Y] (de woning) voor de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) per waardepeildatum 1 januari 2013 voor het jaar 2014 vastgesteld op € 207.000. De beschikking is gericht aan “De erven van [vader X] ” en gezonden aan het adres van de woning (c.q. de [A straat] ), het woonadres van belanghebbendes [broer] . Deze beschikking zal het Hof hierna aanduiden als ‘beschikking I’.

1.2.

Belanghebbende heeft verzocht om een zogenoemde medebelanghebbendebeschikking op de voet van artikel 28 Wet WOZ. De heffingsambtenaar heeft daarop aan het woonadres van belanghebbende verzonden een beschikking met dagtekening 3 oktober 2014. Deze beschikking is op naam gesteld van ‘Erfgenamen van [moeder X] ’. In die beschikking werd de waarde van de woning eveneens vastgesteld op € 207.000. Deze beschikking zal het Hof hierna aanduiden als ‘beschikking II’.

1.3.

Belanghebbende heeft twee afzonderlijke bezwaarschriften gericht tegen beschikking II.

1.4.

In een brief van 14 november 2014 formuleert de gemachtigde van belanghebbe het volgende bezwaar (bezwaar A).

“Ik beschouw deze beschikking als een afwijzing van mijn verzoek (Hof: het in 1.2 bedoelde verzoek om afgifte van een medebelanghebbendebeschikking). Tegen deze afwijzing teken ik bezwaar aan. [belanghebbende] is 1 persoon. De “erfgenamen” is een entiteit van meerdere personen. Ik wil een beschikking op naam van mijn klant.”

1.5.

In een brief van 7 oktober 2014 heeft de gemachtigde bezwaar gemaakt tegen de in beschikking II vastgestelde waarde van de woning (bezwaar B).

1.6.

Belanghebbende heeft verzocht om telefonisch te worden gehoord. De heffingsambtenaar heeft dat geweigerd, en alleen een horen in persoon aangeboden. In bezwaar heeft geen hoorgesprek plaatsgevonden.

1.7.

De uitspraak van de heffingsambtenaar op bezwaar A (uitspraak A) is gedagtekend 17 december 2014. Zijn beslissing is als volgt.

“U maakt bezwaar omdat u van mening bent dat uw verzoek om een beschikking is afgewezen. Daar u wel degelijk een beschikking heeft ontvangen én ook tegen die beschikking bezwaar heeft gemaakt, verklaar ik uw bezwaar niet-ontvankelijk.”

1.8.

De heffingsambtenaar heeft bij afzonderlijke uitspraak, eveneens gedagtekend 17 december 2014, bezwaar B afgewezen en de vastgestelde waarde gehandhaafd (uitspraak B).

1.9.

Belanghebbende heeft tegen uitspraak A en uitspraak B beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij uitspraak van 7 december 2015 op de beroepen inzake de uitspraken op bezwaar A en B als volgt beslist:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen de bestreden (uitspraak B) gegrond;

- vernietigt de bestreden (uitspraak B) en bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden uitspraak 1 in stand blijven;

- verklaart het beroep tegen de bestreden (uitspraak A) eveneens gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak A, verklaart het bezwaar van eiseres [belanghebbende] ongegrond en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden uitspraak A;

- draagt verweerder [de heffingsambtenaar] op het betaalde griffierecht van € 90,00 aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van

€ 1.470,00.”

1.10.

Belanghebbende heeft tegen de beslissing van de rechtbank in de zaak met rechtbank-kenmerk AMS 15/600, betreffende uitspraak op bezwaar A, op 18 januari 2016 hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft bij brief van 11 mei 2016 gerepliceerd. De heffingsambtenaar heeft bij brief van 13 juni 2016 een nader stuk ingediend en bij brief van 10 augustus 2016 gedupliceerd. De stukken zijn over en weer in kopie aan partijen verzonden.

1.11.

De heffingsambtenaar heeft op 18 maart 2016 in de zaak met rechtbank-kenmerk AMS 15/561, betreffende uitspraak op bezwaar B, incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft daarop gereageerd bij brief van 11 mei 2016. De heffingsambtenaar heeft bij brief van 10 augustus 2016 gerepliceerd. De stukken zijn over en weer in kopie aan partijen verzonden.

1.12.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2017. Gelijktijdig en met instemming van partijen zijn ter zitting behandeld het hoger beroep van belanghebbende (kenmerk Hof: 16/00031) en het hoger beroep van [de broer] te [Y] (kenmerk Hof: 16/00030) inzake een ingevolge de Wet WOZ genomen beschikking inzake de onroerende zaak [A straat] te [Y] voor het jaar 2014. Al hetgeen in één van deze zaken is overgelegd of verklaard, wordt eveneens geacht te zijn overgelegd of verklaard in de andere gelijktijdig behandelde zaak. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

1.13.

Het Hof heeft het onderzoek op de voet van artikel 8:68 Algemene wet bestuursrecht heropend en partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden, aan welk verzoek zij hebben voldaan. Met toestemming van partijen heeft het Hof bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2 Feiten
2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak – waarin belanghebbende en de heffingsambtenaar telkens zijn aangeduid als ‘eiseres’ respectievelijk ‘verweerder’ – de volgende feiten vastgesteld.

“1.1. Eiseres is, samen met haar [broer] en haar moeder [moeder X] , erfgenaam van [vader X] (de vader). Tot de nalatenschap van de vader behoort de woning. De moeder van eiseres is overleden in 2013. Haar erfgenamen zijn eiseres en haar broer. Tot de nalatenschap van de moeder behoort (een aandeel in) de woning[.]

1.2.

Bij beschikking van 31 januari 2014 heeft verweerder de waarde van de woning voor het kalenderjaar 2014 vastgesteld op € 207.000. De beschikking van 31 januari 2014 is gericht aan “De erven van [vader X] ” en toegezonden aan het adres van de broer van eiseres, [de broer] aan de [A straat] te [Y].

1.3.

Eiseres heeft verzocht om een beschikking op grond van artikel 26 van de Wet WOZ voor het jaar 2014 ter zake van de woning.”

2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan.

3 Geschil in hoger beroep
3.1.

In geschil is of de heffingsambtenaar was gehouden, zo nodig in plaats van de onder 1.1 vermelde beschikking, een nieuwe, op naam van belanghebbende te stellen, beschikking af te geven.

3.2.

In het incidenteel hoger beroep is in geschil of de heffingsambtenaar van het telefonisch horen van belanghebbende heeft mogen afzien.

3.3.

Niet (langer) in geschil is de waarde van de onroerende zaak.

4 Beoordeling van het geschil
4.1.

De rechtbank heeft omtrent het geschil – voor zover in hoger beroep van belang – als volgt overwogen en beslist:

“2.1. Partijen hebben, zo leidt de rechtbank af uit het dossier, de beschikking van 3 oktober 2014 mede aangemerkt als besluit tot weigering een beschikking te verstrekken op de naam van eiseres. De rechtbank volgt partijen hierin en zal beoordelen of die weigering terecht heeft plaatsgevonden, zoals verweerder stelt en eiseres bestrijdt.

2.2.

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de vader van eiseres volgens de kadastrale gegevens de enige eigenaar van de woning was en dat de tenaamstelling van de woning na zijn overlijden niet is gewijzigd in het kadaster. Volgens verweerder is de beschikking van 3 oktober 2014 ten onrechte op naam van “erfgenamen van [moeder X] ”, in plaats van op naam van “de erven van [vader X] ”, gesteld.

2.3.

Op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wet WOZ stelt de heffingsambtenaar van de gemeente waarin de onroerende zaak is gelegen, de waarde van de onroerende zaak vast bij een voor bezwaar vatbare beschikking.

Op grond van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder a en e, van de Wet WOZ bevat de beschikking in ieder geval de naam, het adres en de woon- of vestigingsplaats van degene te wiens aanzien de beschikking wordt genomen en het kalenderjaar waarvoor de beschikking geldt.

Op grond van artikel 24, derde lid, van de Wet WOZ geschiedt de bekendmaking van de beschikking waarbij de waarde van een onroerende zaak wordt vastgesteld terstond door toezending aan:

a. degene die aan het begin van het kalenderjaar het genot heeft van de onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of beperkt recht;

b. degene die aan het begin van het kalenderjaar de onroerende zaak al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt.

Op grond van artikel 24, vierde lid, van de Wet WOZ kan, indien er met betrekking tot een zelfde onroerende zaak meer dan één genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht kan worden aangewezen, bekendmaking plaatsvinden aan één van hen.

Op grond van artikel 28, eerste lid, van de Wet WOZ neemt de in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar ten aanzien van degene die aannemelijk maakt met betrekking tot de heffing van belasting te zijnen aanzien belang te hebben bij de vastgestelde waarde van een onroerende zaak op grond van de artikelen...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT