Uitspraak Nº 16/01523. Hoge Raad, 2018-04-06

Docket Number16/01523
ECLIECLI:NL:HR:2018:522

6 april 2018

nr. 16/01523

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 10 februari 2016, nr. 14/00285, op het hoger beroep van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. AWB 13/3221) betreffende aan belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling van douanerechten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidenteel beroep naar voren gebracht.

De Staatssecretaris heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.

Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van dupliek ingediend.

Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.

De Hoge Raad heeft partijen in kennis gesteld van zijn voornemen het Hof van Justitie van de Europese Unie te verzoeken een prejudiciële beslissing te geven. Belanghebbende heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, gereageerd op de aan partijen in concept voorgelegde vraagstelling.

2 Uitgangspunten in cassatie
2.1.

Belanghebbende is douane-expediteur. Zij doet in opdracht van importeurs op eigen naam en voor eigen rekening aangiften voor het vrije verkeer. Deze aangiften doet belanghebbende op een vereenvoudigde wijze, en wel met toepassing van de zogeheten domiciliëringsprocedure als bedoeld in artikel 76, lid 1, letter c, van het Communautair douanewetboek (hierna: het CDW). Deze regeling houdt kort gezegd in dat de aangifte voor het vrije verkeer van een goed geschiedt door inschrijving van dat goed in de (bedrijfs)administratie. Deze inschrijving - waarbij de datum van die inschrijving moet worden vermeld - heeft dezelfde juridische waarde als de aanvaarding van een schriftelijk bij de douane ingediende aangifte (artikel 76, lid 3, van het CDW). De aangever moet na de inschrijving een aanvullende aangifte indienen, die een algemeen, periodiek of samenvattend karakter kan hebben (artikel 76, lid 2, van het CDW) en op de voet van artikel 76, lid 3, van het CDW één enkele en ondeelbare akte vormt met de vereenvoudigde aangifte. Belanghebbende doet na afloop van elke kalendermaand bij de douane een aanvullende aangifte van alle in die maand door haar met gebruikmaking van deze procedure voor het vrije verkeer aangegeven goederen.

2.2.

Belanghebbende heeft in de periode van 1 maart 2010 tot en met 31 oktober 2010 in opdracht van [C] GmbH, [D] Ltd en [E] Inc (hierna: de ondernemingen) met gebruikmaking van de domiciliëringsprocedure honderden aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van diverse modellen mediaspelers (hierna: de mediaspelers). Belanghebbende heeft de mediaspelers ingedeeld onder postonderverdeling 8471 70 50 respectievelijk postonderverdeling 8517 62 00 van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: de GN). Het bij deze postonderverdelingen behorende tarief van douanerechten is nul percent. De douane heeft de mediaspelers vrijgegeven zonder heffing van rechten bij invoer.

2.3.

In 2011 heeft de douane de hiervoor in 2.2 bedoelde aangiften aan een controle onderworpen. De Inspecteur heeft zich naar aanleiding van deze controle op het standpunt gesteld dat de mediaspelers onder postonderverdeling 8521 90 00 van de GN moeten worden ingedeeld (tarief 13,9 percent).

Bij brief van 22 februari 2013 heeft de Inspecteur belanghebbende in kennis gesteld van zijn voornemen tot navordering van douanerechten. De Inspecteur heeft bij de navordering de douanewaarde van de mediaspelers gebaseerd op de prijzen die belanghebbende heeft opgegeven. Het betrof de prijzen waarvoor de ondernemingen de mediaspelers hebben verkocht. Deze prijzen kunnen gelden als prijs voor uitvoer naar de Gemeenschap als bedoeld in artikel 29 van het CDW, gelezen in samenhang met artikel 147, lid 1, tweede alinea, van de Uitvoeringsverordening communautair douanewetboek (hierna: de UCDW).

2.4.

Op 27 februari 2013 heeft de Inspecteur een reactie van belanghebbende op het voornemen tot navordering ontvangen. In die reactie verzoekt belanghebbende onder meer - onder verwijzing naar artikel 78 van het CDW - de douanewaarde te verlagen door bij de berekening ervan uit te gaan van de lagere prijs die de in Azië gevestigde producent van de mediaspelers aan de ondernemingen in rekening heeft gebracht.

2.5.

De Inspecteur heeft met betrekking tot de hiervoor in 2.2 bedoelde invoeraangiften uitnodigingen tot betaling vastgesteld. Deze uitnodigingen tot betaling zijn verenigd op één aanslagbiljet, gedagtekend 28 februari 2013. Op dit aanslagbiljet is onder meer het volgende vermeld:

“Op 27 februari 2013 heb ik een reactie ontvangen van [de gemachtigde] met betrekking tot het voornemen een uitnodiging tot betaling op te leggen bij [belanghebbende]. (…)

Gelet op het mogelijk verjaren van de navorderingstermijn, heb ik besloten om de uitnodiging tot betaling op te leggen conform mijn voornemen zoals vermeld in mijn brief van 22 februari 2013.

Echter, ik zal alsnog uw reactie inhoudelijk beoordelen en indien er voor mij aanleiding bestaat om de uitnodiging tot betaling te verminderen, dan wel geheel ongedaan te maken, zal ik dit alsnog ambtshalve doen.”.

2.6.

Het aanslagbiljet is op (donderdag) 28 februari 2013 op de post gedaan. Belanghebbende heeft het aanslagbiljet op (maandag) 4 maart 2013 ontvangen.

2.7.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de uitnodigingen tot betaling en daarbij opnieuw verzocht om herziening op de voet van artikel 78, lid 1, van het CDW.

2.8.

De Inspecteur heeft bij de uitspraken op bezwaar de uitnodigingen tot betaling verminderd vanwege door hem ten onrechte bijgetelde vrachtkosten. De door belanghebbende gedane verzoeken om herziening heeft hij bij deze uitspraken afgewezen. Hij heeft dit gedaan op de gronden (i) dat belanghebbende bij het doen van de aangiften telkens een bewuste keuze heeft gemaakt tussen twee prijzen die elk bruikbaar zijn voor de bepaling van de douanewaarde, (ii) dat de door haar in de aangiften opgegeven prijzen juist zijn, en (iii) dat een verzoek om herziening op de voet van artikel 78 van het CDW niet is bedoeld om aangevers achteraf de mogelijkheid te geven terug te komen van een niet onjuist gegeven in een invoeraangifte dat als gevolg van een bewuste keuze daarin is opgenomen.

3. Beoordeling van ’s Hofs uitspraak naar aanleiding van het in het principale beroep voorgestelde middel en ambtshalve

Herziening van de aangifte volgens artikel 78 CDW

3.1.

Het Hof heeft, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 20 oktober 2005, Overland Footwear II, C-468/03, ECLI:EU:C:2005:624, hierna: het arrest Overland Footwear II, punten 67 tot en met 70, overwogen dat de omstandigheid dat een aangifte op een bepaald punt formeel gezien juist is, niet eraan in de weg staat dat die aangifte op dat punt wordt gewijzigd. Blijkens het arrest Overland Footwear II kan een fout die bestaat in een onbedoelde vergissing hoe dan ook niet worden aangemerkt als de uitoefening van een keuze, wat per definitie een bewuste handeling is, aldus het Hof.

Naar het oordeel van het Hof kan de keuze van belanghebbende met betrekking tot de prijs van de mediaspelers niet los worden gezien van de vergissing die belanghebbende heeft begaan bij de tariefindeling ervan. Onder deze omstandigheden moet deze keuze naar het oordeel van het Hof voor de toepassing van artikel 78, lid 3, van het CDW evenzeer als een vergissing worden aangemerkt, zodat de Inspecteur de herziening heeft geweigerd op gronden die dit oordeel niet kunnen dragen.

Het Hof heeft de Inspecteur opgedragen opnieuw te beslissen op het verzoek om herziening en belanghebbende daarbij in de gelegenheid te stellen haar verzoek cijfermatig te onderbouwen onder overlegging van de desbetreffende facturen.

3.2.

Het middel richt zich tegen de hiervoor in 3.1 weergegeven oordelen van het Hof. Volgens het middel heeft het Hof een onjuist criterium toegepast, aangezien – zo betoogt het middel - voor toepassing van artikel 78, lid 3, van het CDW niet relevant is of de aangever een vergissing heeft begaan. Herziening is volgens het middel alleen aan de orde indien een in de aangifte(n) vermeld gegeven onjuist of onvolledig is. Het middel bestrijdt bovendien de begrijpelijkheid van het oordeel van het Hof dat belanghebbende zich heeft vergist.

3.3.
...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT
2 temas prácticos
  • Uitspraak Nº 17/03159. Hoge Raad, 2020-02-07
    • Nederland
    • 7 de Fevereiro de 2020
    ...tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2020. 1 Zie HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:522, rechtsoverweging 2 Vgl. HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930. ...
  • Uitspraak Nº 16/01523. Hoge Raad, 2019-11-08
    • Nederland
    • 8 de Novembro de 2019
    ...tot dusver Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:522 (hierna: het verwijzingsarrest), wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft......
2 sentencias
  • Uitspraak Nº 17/03159. Hoge Raad, 2020-02-07
    • Nederland
    • 7 de Fevereiro de 2020
    ...tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2020. 1 Zie HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:522, rechtsoverweging 2 Vgl. HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930. ...
  • Uitspraak Nº 16/01523. Hoge Raad, 2019-11-08
    • Nederland
    • 8 de Novembro de 2019
    ...tot dusver Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:522 (hierna: het verwijzingsarrest), wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft......