Uitspraak Nº 17/387 WWB. Centrale Raad van Beroep, 2018-10-09

Datum uitspraak: 9 oktober 2018
 
GRATIS UITTREKSEL
17 387 WWB, 17/388 WWB, 17/389 WWB

Datum uitspraak: 9 oktober 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 november 2016, 14/9013, 14/9014, 14/9015 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het Drechtstedenbestuur (bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.A.E.M. Amesz, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend, gereageerd op een vraag van de Raad en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Amesz. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M. Berkhoudt.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 1 december 2007 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Appellante woonde ten tijde hier van belang op het adres [uitkeringsadres] (uitkeringsadres), op welk adres zij sinds 3 november 2012 staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba) - thans basisregistratie personen.

1.3.

Op 19 september 2013 heeft een medewerkster van thuiszorginstelling [naam thuiszorginsteling] het bestuur gevraagd in hoeverre zij hulp dient te verlenen aan appellante. Daarbij heeft de medewerkster te kennen gegeven dat er een man in huis is op het uitkeringsadres, omdat ze met regelmaat zijn bed(zijde) moet verschonen. Naar aanleiding van deze melding hebben [A.] ( [A.] ) en [B.] ( [B.] ) voor de Sociale Dienst Drechtsteden (SDD) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader hebben [A.] en [B.] onder meer bankgegevens opgevraagd bij appellante, op 24 april 2014 een huisbezoek afgelegd aan het uitkeringsadres, tijdens dat huisbezoek appellante gehoord en op 2 mei 2014 de bewoners van het adres [adres 2] te [woonplaats] (buurtbewoners) als getuigen gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 7 mei 2014 (rapport).

1.3.1.

Over het huisbezoek staat in het rapport het volgende:

“Op donderdag 24-4-14 om 21.10 uur belt [ [A.] ] (in aanwezigheid van [ [B.] ], werkzaam als toezichthouder bij de SDD) eenmaal aan bij het [uitkeringsadres]. [Appellante] doet zelf open. Wij stellen ons voor met onze pasjes van de SDD. [...] Hierna wordt door [ [A.] ] het doel van ons huisbezoek verteld (vaststellen woon-leefsituatie). [Appellante] begreep het waarna het formulier ‘toestemming huisbezoek’ regel voor regel met [appellante] wordt besproken. Uitgelegd dat tijdens het huisbezoek steeds toestemming gevraagd zal worden voor het betreden van de tot of bij de woning behorende ruimten en/of het tonen van zaken en bescheiden. Uitgelegd is dat de weigering van het huisbezoek geen gevolgen kan hebben voor de uitkering. Tot slot is aan [appellante] uitgelegd dat van het huisbezoek een verslag zal worden opgemaakt. [Appellante] tekent het formulier daarop voor akkoord, waarna [ [A.] en [B.] ] toestemming vroegen om naar binnen te mogen komen. Dit mocht. [Appellante] gaf wel aan visite te hebben. We mogen direct in de woonkamer van [appellante] gaan zitten. Wij zien in de woonkamer twee volwassen dames zitten, stellen ons voor, waarna de dames naar het balkon lopen om ons enige privacy te geven.”

1.3.2.

Vervolgens hebben [A.] en [B.] appellante gehoord over haar woon- en leefsituatie. In het daarvan opgemaakte gespreksverslag staat het volgende:

“Ik heb al 15 jaar lang een vriend die [X.] [ [X.] ] heet, hij woont op de [adres van X.] [adres van [X.] ]. Hij verblijft hier 3 à 4 x in de week. Hij slaapt dan bij mij in bed, hij heeft een eigen voordeursleutel, hij heeft hier een eigen kamertje met spullen, hij helpt mij met stofzuigen, dweilen, oud papier, soppen etc; al het huishoudelijke werk dat ik niet meer kan. Als ik op vakantie ga, dan ga ik met [ [X.] ], maar dat is al 3 jaar geleden. Als hij hier eet (2 dagen in de week) dan betaalt hij de boodschappen. In zijn hobbykamer staat zijn oude computer en al zijn treinen. Ik doe alle was van [ [X.] ], [ [X.] ] heeft geen wasmachine. Bovenstaande situatie is al een jaar zo.”

1.3.3.

Over het vervolg van het huisbezoek is in het rapport het volgende opgenomen:

“[...]. De navolgende spullen van een volwassen man (waarvan wij [appellante] ook horen zeggen dat het [ [X.] ] betreft) worden in de navolgende ruimten gevonden [...]:

Slaapkamer [appellante]

• De kledingkast is voor de ene helft (links) ingericht met een volledige garderobe van [ [X.] ]. Wij zien o.a. van [ [X.] ] in deze kast: 15 onderbroeken, 5 pyjama’s, een stropdas,

6 nieuwe werkoverhemden (van het busbedrijf [naam busbedrijf] ) - nog in plastic verpakt; wij horen [appellante] zeggen dat de werkgever van [ [X.] ] deze bloezen direct naar het adres van [appellante] heeft gestuurd, 1 zwarte ribbroek, een paar nieuwe herenschoenen in een doos en een onderste la met minimaal 12 paar sokken en een aantal onderbroeken. In het nachtkastje naast het 2-persoonsbed van [appellante] aan de rechterzijde zien wij o.a. van [ [X.] ] liggen: een [naam busbedrijf] -certificaat met zijn naam erop, een tijdschrift ‘op de rails’.

[Appellante] vertoont in deze fase van het huisbezoek enige aarzeling om verder mee te werken. Daarom verlaten wij op dat moment een paar seconden de woning van [appellante], om daarna de woning opnieuw te betreden met goedkeuring van [appellante], maar nu wordt het informed consent ‘met aanleiding’ getekend door [appellante] om 21.10 [lees: 21.35] uur (zie bijlagen). Aan [appellante] wordt wederom bovenstaande procedure doorlopen, met dat verschil dat haar expliciet wordt uitgelegd door [ [A.] ] dat weigering van inzage in de woning nu wel gevolgen kan hebben voor haar recht op bijstand. Wij horen [appellante] zeggen dat ze dit begreep.

Wij vragen [appellante] vervolgens of we foto’s mogen nemen van de spullen die wij zien. Wij horen [appellante] zeggen dat dit mag [...]. Als eerste worden de foto’s in de slaapkamer genomen. Daarna vragen wij [appellante] of we de overige ruimten mogen zien, hier ook foto’s mogen maken en of [appellante] voorop wil gaan. [Appellante] leidt ons de verdere woning door.

Gang

In de gang zien wij het volgende

• Een winterjas van een man in een kledingkast, waarvan wij [appellante] ook horen zeggen dat deze van [ [X.] ] is.

In de gang bij de voordeur van [appellante] zien wij ook een jas van een man hangen, waarvan wij [appellante] ook horen zeggen dat deze van [ [X.] ] is.

In de badkamer zien wij het volgende

• Twee tandenborstels (waarvan wij [appellante] ook horen zeggen dat een tandenborstel van [ [X.] ] is), en twee flessen mannen douchespul [...]

In de andere kamer ‘van [X.] ’- zoals wij [appellante] horen zeggen - staan erg veel dozen met treinen en andere hobbypakketten en bouwpakketten van treinen. [X.] heeft treinen als hobby en [X.] heeft ook te weinig opbergruimte, horen wij [appellante] zeggen. [...] Letterlijk de halve kamer staat ermee vol [...]. Ook de kasten staan vol met deze dozen van treinen van [X.] . Ook staat er een computer van [X.] (dit horen wij [appellante] zeggen) in deze kamer.

In de woonkamer zien wij tussen de papieren op het bureau van [appellante] enkele papieren liggen met de naam [ [X.] ] erop [...]; b. v . e.o.a. rijdopdracht van de Stichting [naam Stichting] .

De eerder genoemde verklaring van [appellante] wordt nog afgerond doordat [appellante] deze doorleest en ondertekend. Ook [A.] en [B.] ondertekenen de verklaring. [A.] geeft [appellante] hierna aan dat [A.] [...] nog een buurtonderzoek wil uitvoeren. [Appellante] geeft aan hier geen problemen mee te hebben. [...]”

1.3.4.

De buurtbewoners hebben volgens de gespreksbevestiging, gedagtekend 2 mei 2014, het volgende verklaard: “Op [uitkeringsadres] wonen 2 mensen. Wij zien ze vaak samen. Dit is i.i.g. al een aantal maanden zo. Wij zien hem ’s avonds achter de p.c. zitten. Ook ’s avonds laat. Man komt hier dagelijks.”

1.3.5.

Over de ingeleverde bankafschriften over de periode van 1 december 2013 tot 1 maart 2014 staat in het rapport dat het opvallend is dat appellante in december 2013 slechts € 5,- contant heeft opgenomen en verder in die maand en in de maanden januari en februari 2014 in totaal € 95,- heeft gepind voor boodschappen.

1.4.

De onderzoeksresultaten zijn voor het bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 15 mei 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 november 2014 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellante met ingang van 24 april 2014 te beëindigen (lees: in te trekken), de bijstand over de periode van 24 april 2013 tot 24 april 2014 in te trekken en de over de periode van 24 april 2013 tot 30 april 2014 gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen tot een bedrag van in...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT