Uitspraak Nº 17/4263 WAJONG. Centrale Raad van Beroep, 2020-12-31

CourtCentrale Raad van Beroep (Nederland)
Docket Number17/4263 WAJONG
ECLIECLI:NL:CRVB:2020:3446
17 4263 WAJONG

Datum uitspraak: 31 december 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

12 mei 2017, 16/4792 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

OVERWEGINGEN
1.1.

Appellante, geboren op [geboortedatum in] 1988, heeft sinds [geboortedatum in] 2006, haar achttiende verjaardag, een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998) ontvangen, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2.

Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) in werking getreden. Bij brief van 15 september 2015 heeft het Uwv aan appellante een voorlopige beoordeling arbeidsvermogen gestuurd, waarin is vermeld dat aangenomen wordt dat appellante arbeidsvermogen heeft. Appellante heeft in reactie daarop te kennen gegeven het niet eens te zijn met deze beoordeling. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 22 januari 2016 vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft, als gevolg waarvan de Wajong‑uitkering met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon.

1.3.

Bij besluit van 11 juli 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 22 januari 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de primaire beoordeling onderschreven. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de taak ‘Vouwen was’ laten vervallen en de taak ‘Strijken’ daarvoor in de plaats gesteld.

2.1.

In beroep heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de taak ‘Strijken’ laten vervallen en ‘Scannen’ als nieuwe taak geselecteerd.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de wetgever bij de invoering van de Participatiewet nadrukkelijk de bedoeling heeft gehad het arbeidsvermogen niet langer uit te drukken in een arbeidsongeschiktheidspercentage. Daarmee is geen sprake meer van een vergelijking van maatmanloon en verdiencapaciteit en is het neerleggen van beperkingen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) niet langer aan de orde. De rechtbank heeft verder overwogen dat het Uwv voor de beoordeling van het arbeidsvermogen van Wajonggerechtigden de methode ‘Sociaal Medische Beoordeling van Arbeidsvermogen’ (SMBA) heeft ontwikkeld. Verder wordt door de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen van het Uwv het ‘Compendium Participatiewet’ (Compendium) gehanteerd. Het Compendium is door de rechtbank gekwalificeerd als vaste gedragslijn die is neergelegd in een interne werkinstructie. De rechtbank heeft het onderzoek door het Uwv zorgvuldig geacht.

2.3.

In wat appellante heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanleiding gezien de beoordeling door het Uwv voor onjuist te houden. Appellante wordt geacht vier uur per dag en één uur aaneengesloten te kunnen werken. Daarmee is voldoende rekening gehouden met de problematiek van appellante. Verder is niet in geschil dat...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT