Uitspraak Nº 18/1130. College van Beroep voor het bedrijfsleven, 2020-07-28

CourtCollege van Beroep voor het bedrijfsleven (Nederland)
Docket Number18/1130
ECLIECLI:NL:CBB:2020:499

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1130

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2020 in de zaak tussen

de maatschap [naam 1] en [naam 2], te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. drs. C.C. van Harten),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. S.I. Schinkel),

en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid).
Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 1 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 24 maart 2020 (het wijzigingsbesluit) heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard, het bestreden besluit herzien en het primaire besluit herroepen.

Bij brief van 7 mei 2020 heeft appellante het beroep ingetrokken met het verzoek om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden als wel om kostenvergoeding in bezwaar en beroep.

Verweerder heeft op dit verzoek gereageerd.

Het College heeft de Staat als partij aangemerkt in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna het College het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.

Overwegingen

1. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld.

2.1

In dit geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar (het bezwaar ten hoogste een half jaar en het beroep ten hoogste anderhalf jaar). Dit, behoudens factoren die aanleiding geven overschrijding van deze...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT