Uitspraak Nº 18/146, 18/1919 en 18/1920. College van Beroep voor het bedrijfsleven, 2020-07-28

Datum uitspraak:28 juli 2020
Uitgevende instantie::College van Beroep voor het bedrijfsleven
 
GRATIS UITTREKSEL

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN


zaaknummers: 18/146, 18/1919 en 18/1920

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2020 in de zaak tussen Maatschap [naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: J.A. Rietveld),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. A.R. Alladin).

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Procesverloop


Bij onderscheiden besluiten van 3 augustus 2017, 23 september 2017, 25 november 2017 en 27 januari 2018 heeft verweerder op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante heffingen opgelegd van € 2.995,- voor periode 2, € 4.450,- voor periode 3, € 6.835,- voor periode 4 en € 6.763,- voor periode 5.

Bij onderscheiden besluiten van 18 december 2017, 19 december 2017, 6 augustus 2018 en 6 augustus 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen ieder van de bestreden besluiten.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingediend.

Bij brief van 17 juni 2020 heeft appellante tevens verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM).

Naar aanleiding van dit verzoek van appellante heeft het College de Staat als partij aangemerkt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde J.A. Rietveld. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. A.R. Alladin.

Overwegingen
  1. De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Voor de periodes van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer melkvee houdt dan het referentieaantal op 2 juli 2015 (de peildatum) en kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder melkvee houdt dan het referentieaantal op de peildatum.

  2. Appellante exploiteert een grondgebonden melkveebedrijf. Verweerder heeft aan appellante over periode 2, 3, 4 en 5 hoge geldsommen opgelegd omdat het gemiddeld aantal runderen op het bedrijf van appellante hoger was dan het doelstellingsaantal voor die periodes. Verweerder heeft bij de berekening van het maandgemiddelde en de geldsommen voor de genoemde periodes het jongveegetal toegepast, omdat appellante in periode 2 jongvee ouder dan 35 dagen heeft afgevoerd naar andere rundveebedrijven. Verweerder heeft in het bestreden besluit toegelicht dat afvoer van jongvee alleen meetelt als reductie als naar verhouding (in GVE) een gelijk aantal koeien die hebben gekalfd wordt afgevoerd. Wanneer de verhouding jongvee en koeien die hebben gekalfd verandert als gevolg van een beperkte hoeveelheid jongvee, wordt bij het berekenen van het maandgemiddelde uitgegaan van het jongveegetal en niet van het daadwerkelijk aantal aanwezig jongvee.
    Beroepsgronden
    Wettelijke grondslag Regeling

  3. Appellante betoogt dat zij niet kan worden gehouden tot betaling van de geldsommen omdat er geen wettelijke grondslag bestaat voor het uitvaardigen van de Regeling. Volgens appellante ziet artikel 13 van de Landbouwwet, waarop de minister de Regeling heeft gebaseerd, op maatregelen ten behoeve van het bevorderen van de afzet van melk en daarvan is bij de Regeling geen sprake. Voor zover er een verband is gelegd tussen het behouden van de derogatie, bestaanszekerheid en afzetbevordering ontbreekt dat verband volgens appellante voor haar bedrijf.

3.1.

Zoals het College eerder heeft geoordeeld in de uitspraak van 21 augustus 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:421), heeft de minister voldoende onderbouwd dat de Regeling een doel dient als bedoeld in artikel 13 van de Landbouwwet. Op grond van de overwegingen van die uitspraak heeft de Regeling een wettelijke grondslag in artikel 13 van de Landbouwwet.
Berekening hoge geldsommen

4. Appellante betoogt verder dat verweerder ten onrechte de hoge geldsommen aan haar heeft opgelegd. Ten eerste betoogt zij dat zij in 2015 een nieuwe stal heeft gebouwd, maar doordat de voor de peildatum aangevraagde vergunning op grond van de destijds geldende Natuurbeschermingswet 1998 nog niet was verleend, was het in gebruik nemen van de stal op de peildatum nog niet mogelijk. Daarnaast is door dierziekte een aantal runderen verloren gegaan. In deze omstandigheden had verweerder volgens appellante aanleiding moeten zien om het referentieaantal te verhogen.
Verder betoogt appellante dat verweerder ten onrechte het jongveegetal heeft toegepast. Volgens appellante is het jongveegetal ingevoerd om te voorkomen dat jongvee tijdelijk buiten het melkveebedrijf wordt geplaatst. In haar geval is het jongvee afgevoerd naar een afmestbedrijf en vervolgens zijn de dieren geslacht. Het jongvee is daarmee permanent afgevoerd. Appellante wijst er daarbij op dat extra jongvee was aangehouden om daarmee de veestapel te laten groeien. Toen dat niet langer mogelijk bleek, is het extra jongvee afgevoerd. Daarnaast betoogt appellante dat het toepassen van het jongveegetal in haar geval onredelijk is omdat zij alleen door drachtige dieren af te voeren had kunnen voorkomen dat het jongveegetal zou worden geactiveerd, hetgeen niet is toegestaan en in strijd is met haar geloofsovertuiging. Daarbij wijst appellante erop dat het bedrijf een afwijkend patroon van afkalveren kent. Bij de beoordeling van haar...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT