Uitspraak Nº 18/1659. College van Beroep voor het bedrijfsleven, 2020-07-28

Datum uitspraak:28 juli 2020
Uitgevende instantie::College van Beroep voor het bedrijfsleven
 
GRATIS UITTREKSEL

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1659

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2020 in de zaak tussen [naam 1] , te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellante

(gemachtigde: mr. R. Scholten),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. J.G. Biesheuvel).

Procesverloop


Bij besluiten van 17 juni 2017 en 25 november 2017 (de primaire besluiten) heeft verweerder op grond van de Regeling aan appellante heffingen opgelegd van € 1.954,- voor periode 1 en van € 1.008,- voor periode 4.

Bij besluit van 5 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2020. Appellante is verschenen, vertegenwoordigd door [naam 2] en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen
  1. De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Voor de periodes van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer melkvee houdt dan het referentieaantal op 2 juli 2015 (de peildatum) en kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder melkvee houdt dan het referentieaantal op de peildatum.

  2. Artikel 12, tweede lid, van de Regeling luidt:
    “Indien de houder, meldt en aantoont dat het referentieaantal minimaal 5% lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de houder of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van melkveestallen, kan de minister op zijn verzoek het referentieaantal bepalen aan de hand van het aantal runderen dat voor de intreding van deze buitengewone omstandigheden is geregistreerd.”

Feiten

3. Appellante exploiteert een melkveebedrijf. Op 24 maart 2017 heeft appellante een bijzondere omstandigheid gemeld en verweerder verzocht haar referentieaantal te verhogen. Appellante heeft daarin vermeld dat zij sinds 28 december 2012 door een oogaandoening deels arbeidsongeschikt is, waardoor de geplande aankoop van dieren in de jaren daarna niet is doorgegaan en de nieuw gebouwde stal niet volledig in...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT