Uitspraak Nº 19/04910 bijlage. Hoge Raad, 2020-04-21

Datum uitspraak:21 april 2020
 
GRATIS UITTREKSEL
Bijlage bij het arrest in de zaak 19/04910 CW

De geschiedenis van de totstandkoming van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Stb. 2001, 194) houdt onder meer het volgende in:

- het voorstel van wet:

“Artikel 2

1. (...).

2. Indien de patiënt van zestien jaren of ouder niet langer in staat is zijn wil te uiten, maar voordat hij in die staat geraakte tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake in staat werd geacht, een schriftelijke verklaring, inhoudende een verzoek om levensbeëindiging, heeft afgelegd, kan de arts, overeenkomstig het eerste lid, aan dit verzoek gevolg geven, tenzij hij gegronde redenen heeft het verzoek niet in te willigen.” (Kamerstukken II 1998/99, 26 691, nrs. 1-2, p. 2)

- de memorie van toelichting:

“Artikel 2

(...)

De essentie van gerechtvaardigde levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding, vormt het uitdrukkelijk verzoek daartoe van de patiënt. Dit verzoek is bij voorkeur schriftelijk vastgelegd, al is dit op zichzelf niet vereist voor het gerechtvaardigd zijn van de inwilliging ervan, zolang de patiënt in staat is zijn wil te uiten.

Het verzoek moet verder vrijwillig, weloverwogen en duurzaam zijn.

Op een verzoek dat het resultaat is van een opwelling, een plotselinge, hevige gemoedstoestand, moet niet worden ingegaan. De duurzaamheid van het verzoek blijkt uit de herhaling ervan, ook nadat de arts met de patiënt over diens verzoek en over diens gezondheidstoestand heeft gesproken.

Een verzoek is vrijwillig geuit, indien dit zonder druk of invloed van anderen op de patiënt is geuit. Vrijwilligheid houdt voorts in, dat de patiënt in staat moet zijn geweest zijn wil volledig vrij te bepalen. Uitgangspunt is dat de patiënt zelf om euthanasie moet verzoeken. Het is zijn eigen vrijwillige beslissing. Nadat de arts zich ervan vergewist heeft dat de stervenswens vrijwillig, uitdrukkelijk en duurzaam is, is, zo kan men stellen, de toepassing van de euthanasie een beslissing die de patiënt en de arts in samenspraak hebben genomen. Indien er gegronde aanleiding was te betwijfelen of de patiënt ten tijde van het verzoek om levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding zich ten volle bewust was van de strekking hiervan alsmede van zijn lichamelijke situatie, bijvoorbeeld in verband met een psychische stoornis, moet nader worden onderzocht of werkelijk sprake is geweest van een vrije en weloverwogen wilsuiting. Gelet hierop dient de melding van levensbeëindigend handelen bij dergelijke patiënten plaats te vinden volgens de procedure voor gevallen van levensbeëindiging bij enkele bijzondere categorieën patiënten. Ook de melding van levensbeëindigend handelen bij patiënten wier oordeelsvorming gestoord geweest kan zijn als gevolg van zich ontwikkelende dementie, behoort plaats te vinden volgens laatstgenoemde procedure. Die procedure is verder aangewezen indien sprake was van een patiënt die zijn wil niet kon uiten, zoals een pasgeborene, of een comateuze patiënt die niet tevoren een schriftelijke verklaring had afgelegd.

Voor de weloverwogenheid van het verzoek is verder van belang dat de patiënt volledig inzicht had in zijn ziekte, de gestelde diagnoses, de prognoses en de behandelmogelijkheden. De arts ziet erop toe dat de patiënt over deze zaken volledig geïnformeerd is. Deze voorlichting aan de patiënt is als eis nadrukkelijk opgenomen in onderdeel c. De arts dient ook met de patiënt te bespreken, welke alternatieven nog ter beschikking staan om het lijden van de patiënt te verlichten. Hierop ziet de zorgvuldigheidseis, opgenomen in onderdeel d. Deze zorgvuldigheidseis bevat twee elementen die van wezenlijk belang zijn voor het besluitvormingsproces met betrekking tot het toepassen van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding. Enerzijds drukt deze zorgvuldigheidseis uit dat dit besluitvormingsproces een zaak is van arts en patiënt samen. Juist waar het gaat om de afweging of aan de voorwaarden is voldaan waaronder euthanasie mogelijk is, in het bijzonder de vraag of er voor de patiënt geen andere uitweg meer is, achten wij de samenspraak tussen arts en patiënt van groot belang. De in deze eis tot uitdrukking komende samenspraak laat overigens de zelfstandige beslissing van de arts, en diens uitsluitende verantwoordelijkheid voor de toepassing van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding, onverlet.” (Kamerstukken II 1998/99, 26 691, nr. 3, p. 8-9)

(...)

“Voor de betekenis en reikwijdte van het begrip uitzichtloos en ondraaglijk lijden verwijzen wij naar de uiteenzetting die wij daarover op 16 september 1994 aan de Tweede Kamer hebben gezonden naar aanleiding van het hierboven genoemde arrest-Chabot (Kamerstukken 1993‑1994, 23 877, nr. 1). Ter aanvulling op deze brief dient nog het volgende. De gronden voor euthanasie kunnen, ook blijkens de jurisprudentie, verschillen. De Hoge Raad noemt in diens arrest van 27 november 1984 (NJ 1985, 106) ook steeds verdergaande ontluistering van de persoon en het vooruitzicht om niet meer op waardige wijze te kunnen sterven. Het begrip uitzichtloos en ondraaglijk lijden laat ruimte voor de concrete omstandigheden van het geval.” (Kamerstukken II 1998/99, 26 691, nr. 3, p. 10)

(...)

“Het vereiste van medisch zorgvuldige uitvoering omvat in de eerste plaats de medisch-technisch correcte toediening van de juiste middelen. In de tweede plaats moet de levensbeëindiging door de arts zelf worden uitgevoerd. De daarvoor vereiste handelingen mogen niet aan verpleegkundigen of aan omstanders worden overgelaten. Bij het verlenen van hulp bij zelfdoding wordt de arts geacht zelf aanwezig, of in de nabije omgeving beschikbaar te blijven, totdat de dood is ingetreden.

Het tweede lid gaat over een schriftelijke verklaring die door de patiënt is afgelegd toen hij daartoe nog in staat was. Er is enige gelijkenis met de zogenoemde negatieve schriftelijke wilsverklaring, bedoeld in artikel 7:450, derde lid, BW. Tegelijkertijd dient er geen misverstand over te bestaan, dat beide verklaringen verschillen wat betreft het beoogde doel en rechtsgevolg. Anders dan bij de negatieve wilsverklaring uit het BW kan naar zijn aard nimmer een rechtsplicht voor de arts voortvloeien uit de onderhavige schriftelijke wilsverklaring. Dit vloeit voort uit het feit dat levensbeëindigend handelen niet wordt gerekend tot normaal medisch handelen. Indien een arts de gevraagde hulp niet in overeenstemming kan brengen met zijn geweten, hoeft hij deze niet te bieden. Komt hij tot deze afweging, dan ligt het op zijn weg om een andere arts in te schakelen.

De juridische status van de schriftelijke wilsverklaring als bedoeld in het tweede lid is dan ook deze, dat de arts, met inachtneming van de voorwaarden die in het tweede lid zijn genoemd, deze verklaring kan beschouwen als overeenstemmend met de wil van de patiënt. Met het oog op dit laatste dient de verklaring helder geformuleerd te zijn en voorzien te zijn van naam, handtekening en dagtekening. Is voldaan aan de voorwaarden van het tweede lid, dan kan de arts nog afzien van de inwilliging van het verzoek, indien hij daartoe gegronde redenen aanwezig acht. Een dergelijke gegronde reden zou in beginsel kunnen zijn het voortschrijden van de medisch-technische stand van de wetenschap sinds het moment van het afleggen van de verklaring. Gevreesde ernstige bijwerkingen kunnen bijvoorbeeld achterhaald zijn. Alsdan moet de arts inschatten wat de patiënt, gezien de in het verleden afgelegde verklaring, gewild zou hebben indien hij tot het uiten van zijn wil in staat zou zijn op het moment dat de arts op de verklaring is aangewezen. Een andere gegronde reden kan bijvoorbeeld zijn dat de verklaring niet duidelijk genoeg is.

De arts kan aan de schriftelijke wilsverklaring slechts gevolg geven, indien overigens aan alle zorgvuldigheidseisen voor levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding is voldaan. De schriftelijke wilsverklaring als bedoeld in het tweede lid dient derhalve als richtsnoer voor arts, indien deze wordt geconfronteerd met de situatie dat zijn patiënt niet langer in staat is zijn wil te bepalen. De arts zal evenwel altijd, in het licht van de zorgvuldigheidseisen voor levensbeëindiging op verzoek, zijn eigen afweging moeten en kunnen maken.” (Kamerstukken II 1998/99, 26 691, nr. 3, p. 10-11)

(...)

“Wij hebben overwogen om de geldigheid van de schriftelijke wilsverklaring aan een bepaalde termijn te binden. Wij hebben hiervan afgezien, omdat elke gestelde geldigheidsduur hardheidsdiscussies zal oproepen bij gevallen waarin de wilsverklaring net buiten de termijn valt. In de praktijk wordt de patiënt overigens geadviseerd om de verklaring, zolang hij wilsbekwaam is, regelmatig te actualiseren.” (Kamerstukken II 1998/99, 26 691, nr. 3, p. 11)

- het verslag van de vaste commissies voor Justitie en voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport:

“De leden van de PvdA-fractie (...). Hoewel in de wettekst het begrip «euthanasie» niet voorkomt, wordt dit in de Memorie van Toelichting bij herhaling gebezigd. Deze leden zijn van mening dat niet dikwijls genoeg kan worden herhaald dat dit begrip alleen omvat «levensbeëindiging door een arts op verzoek van de patiënt zelf»; dat eigen verzoek ligt ook ten grondslag aan «hulp bij zelfdoding». Op beide vormen van levensbeëindiging op verzoek – die in beginsel strafbaar blijven – ziet dit wetsvoorstel dat de strafbaarheid onder voorwaarden wil opheffen.” (Kamerstukken II 1999/2000, 26 691, nr. 5, p. 5)

- de nota naar aanleiding van het verslag:

“Hetgeen de leden van de PvdA-fractie opmerkten over de regeling betreffende de wilsverklaring, lazen wij met instemming. Deze leden vroegen uit oogpunt van de rechtszekerheid voor de patiënt en de arts nog wel aandacht voor de afbakening tussen de meldingsprocedure voor levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding ingevolge dit wetsvoorstel enerzijds en de meldingsprocedure voor levensbeëindiging bij enkele bijzondere...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT