Uitspraak Nº 19/2914 WIA. Centrale Raad van Beroep, 2020-12-31

CourtCentrale Raad van Beroep (Nederland)
Docket Number19/2914 WIA
ECLIECLI:NL:CRVB:2020:3453
19 2914 WIA

Datum uitspraak: 31 december 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 mei 2019, 18/5236 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.A. van Schaik, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. E.R. van Dijk. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

OVERWEGINGEN

1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als medewerker schoonmaak voor 33,35 uur per week. Op 11 april 2016 heeft appellante zich met gewrichtsklachten ziek gemeld. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellante het spreekuur bezocht van een voor het Uwv werkzame arts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 januari 2018. Een arbeidsdeskundige heeft op basis daarvan vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Zij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 0,00%.

Bij besluit van 21 februari 2018 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van

9 april 2018 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat appellante met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 3 september 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij overwogen dat het medisch onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft ook geen aanleiding gezien voor twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsartsen over de belastbaarheid van appellante per 9 april 2018. Volgens de rechtbank waren de lichamelijke en psychische klachten van appellante bekend en zijn deze door de verzekeringsartsen in de beoordeling betrokken. De rechtbank heeft daarbij onder meer van belang geacht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van

16 augustus 2018 inzichtelijk heeft gemotiveerd dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat sprake is van beperkingen in mobiliteit en kracht ten aanzien van de vingers van appellante. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep er in een aanvullend rapport van

16 januari 2019 op gewezen dat in de FML van 25 januari 2018 rekening is gehouden met de verminderde energie en de verminderde concentratie als gevolg van fibromyalgie. In een rapport van 27 maart 2019 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgens de rechtbank inzichtelijk gemotiveerd dat er geen aanleiding is om beperkingen aan te nemen in de rubrieken 1.1. en 1.3. in plaats van in rubriek 1.9. Volgens de rechtbank is een verzekeringsarts niet gehouden tot een bijzondere motivering en ook niet om contact op te nemen met een bedrijfsarts, wanneer de vastlegging in een FML een andere uitkomst heeft dan de uitkomst van een door de bedrijfsarts opgestelde FML. De stelling van appellante dat zij een contra-expertise niet kan betalen, is volgens de rechtbank niet nader onderbouwd. De rechtbank heeft geen grond gezien voor het oordeel...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT