Uitspraak Nº 200.126.843-01 200.126.848-01. Gerechtshof Den Haag, 2015-12-18

Datum uitspraak:18 december 2015
Uitgevende instantie::Gerechtshof Den Haag
 
GRATIS UITTREKSEL
GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

Zaaknummers : 200.126.843 (zaak c) + 200.126.848 (zaak d)

Zaak-/rolnummers rechtbank : C/09/337058 / HA ZA 09-1581 (zaak c) +

C/09/365482 / HA ZA 10-1665 (zaak d)

Arrest van 18 december 2015 in de zaken van

1. Eric Barizaa DOOH,

wonende te Goi, Rivers State, Federale Republiek Nigeria,

2. VERENIGING MILIEUDEFENSIE,

gevestigd te Amsterdam,

appellanten in principaal appel, tevens geïntimeerden in incidenteel appel, tevens eisers in het art. 843a Rv-incident en verweerders in het bevoegdheidsincident,

advocaat: mr. Ch. Samkalden (Amsterdam),

tegen (zaak c - 200.126.843)

1. ROYAL DUTCH SHELL PLC.,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk, kantoorhoudende te Den Haag,

2. SHELL PETROLEUM DEVELOPMENT COMPANY OF NIGERIA LTD.,

gevestigd te Port Harcourt, Rivers State, Federale Republiek Nigeria,

geïntimeerden in principaal appel, tevens appellanten in incidenteel appel, tevens verweersters in het art. 843a Rv-incident en eiseressen in het bevoegdheidsincident,

advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk (Amsterdam),

en tegen (zaak d - 200.126.848)

1. SHELL PETROLEUM N.V.,

gevestigd te Den Haag,

2. THE ‘SHELL’ TRANSPORT AND TRADING COMPANY LTD.,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

geïntimeerden in principaal appel, tevens appellanten in incidenteel appel, tevens verweersters in het art. 843a Rv-incident,

advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk (Amsterdam).

Partijen ter ener zijde worden hierna genoemd: Eric Dooh en Milieudefensie, samen: Milieudefensie c.s.; partijen ter andere zijde: RDS, SPDC, Shell Petroleum en Shell T&T, samen: Shell. RDS en SPDC tezamen worden veelal RDS c.s. genoemd. RDS, Shell Petroleum en Shell T&T worden zowel tezamen als afzonderlijk ook wel aangeduid als ‘de moedervennootschap’.

Het verloop van het geding zaak c - 200.126.843

Milieudefensie c.s. heeft deze zaak tegen RDS c.s. aanhangig gemaakt op basis van op 1 mei 2013 uitgebrachte appeldagvaardingen, waarin zij stelt in hoger beroep te komen van het door de Rechtbank Den Haag tussen haar en RDS c.s. gewezen vonnis van 30 januari 2013 en het daaraan voorafgegane tussenvonnis van 14 september 2011. Op de eerst dienende dag - 21 mei 2013 - is verstek verleend tegen RDS c.s. Nadat Milieudefensie c.s. vervolgens op 31 mei 2013 een oproepingsexploot aan RDS c.s. had doen betekenen is RDS c.s. alsnog in het geding verschenen.

zaak d - 200.126.848

Milieudefensie c.s. is bij exploten van 1 mei 2013 in hoger beroep gekomen van het door de Rechtbank Den Haag tussen haar en Shell Petroleum en Shell T&T gewezen vonnis van 30 januari 2013 en het daaraan voorafgegane tussenvonnis van 14 september 2011.

in beide zaken voorts:

Op de rol zijn de volgende stukken gewisseld:

- een incidentele conclusie tot exhibitie (met producties) van Milieudefensie c.s.;

- een memorie van antwoord in het incident ex art. 843a Rv tevens houdende exceptie van

onbevoegdheid in het incident (in zaak c, toev. Hof) (met producties) van Shell;

- een memorie van antwoord in het bevoegdheidsincident in het incident ex art. 843a Rv van

Milieudefensie c.s.

Vervolgens is een comparitie van partijen gehouden in deze en in vier samenhangende zaken. Die vier samenhangende zaken zijn aangeduid als zaak a (200.126.804), zaak b (200.126.834), zaak e (200.126.849) en zaak f (200.127.813). Op deze comparitie zijn procedureafspraken gemaakt, die voor zover thans van belang inhouden dat allereerst (‘fase 1’) een beslissing zal worden genomen over (i) de bevoegdheid van de Nederlandse rechter (voor zover in geschil), (ii) het al dan niet ontbreken van geldige appeldagvaardingen in zaak (c), en (iii) de vorderingen van Milieudefensie c.s. ex art. 843a Rv (met inbegrip van het appel van Milieudefensie c.s. tegen het tussenvonnis van 14 september 2011, waarin haar toenmalige vordering ex art. 843a Rv grotendeels is afgewezen), alsmede de door Shell daartegen gevoerde verweren, waaronder die met betrekking tot (iv) de ontvankelijkheid van Milieudefensie en (v) de ontvankelijkheid c.q. vorderingsgerechtigheid van Eric Dooh. Overeenkomstig de ter comparitie gemaakte afspraken zijn vervolgens op de rol ingediend:

- door Shell: een memorie van grieven fase 1 (in zaak f) tevens memorie van grieven

in incidenteel appel fase 1 (in zaken a tot en met e) (met producties);

- door Milieudefensie c.s.: een memorie van grieven inzake de afwijzing van de

vordering tot exhibitie ex art. 843a Rv (met producties);

- door Milieudefensie c.s. in zaak c: een akte uitlating (appeldagvaarding) (met

productie);

- door Shell: een memorie van antwoord fase 1 (in zaken a tot en met e), tevens

memorie van antwoord in incidenteel appel fase 1 (in zaak f), tevens antwoordakte uitlating

appeldagvaarding (in zaak c) (met producties, waaronder als productie 53 een akte van depot

van stukken);

- door Milieudefensie c.s.: een memorie van antwoord bij de memorie van grieven

zijdens Shell (fase 1) (met producties).

Daarna hebben de advocaten van partijen - in fase 1 - alle zaken aan de hand van pleitnotities bepleit. Bij die gelegenheid zijn door Shell producties in het geding gebracht (productie 54 in de zaken a tot en met d en productie 55 in de zaken c en d) en heeft de advocaat van Milieudefensie c.s. enkele afdrukken van foto’s overgelegd. Na afloop van de pleidooien is een datum voor arrest bepaald.

De beoordeling inleiding
1.1

Aanleiding tot het geschil is een olielekkage uit een gat in een ondergrondse 24 inch oliepijpleiding bij het dorp Goi in Ogoniland, in de deelstaat Rivers State van de Federale Republiek Nigeria. Naar schatting is er een hoeveelheid van ca. 150 vaten (barrels) olie door dat gat gelekt, waarna ter plaatse ook nog een oliebrand heeft gewoed. Milieudefensie c.s. wijt de lekkage en de daardoor ontstane schade - meer concreet: (milieu)schade aan door (de vader van) Eric Dooh ter plaatse geëxploiteerde visvijvers en landbouwgronden - aan onrechtmatig handelen en nalaten van (i) SPDC als operator van de pijpleiding, maar daarnaast ook van (ii) RDS als hoofd van de Shell-groep en via concernvennootschappen houdster van de aandelen in SPDC en van (iii) Shell Petroleum en Shell T&T, die voorheen tezamen deze rol van moedermaatschappij/middellijk aandeelhouder vervulden. De vorderingen die Milieudefensie c.s. op deze grond heeft ingesteld strekken er toe dat Shell aansprakelijk wordt gehouden voor de (gevolg)schade en wordt geboden om de bodem- en watervervuiling ongedaan te maken en voorzieningen te treffen ter voorkoming van nieuwe lekkages en milieuschades. De rechtbank wees alle vorderingen af, daarbij als uitgangspunt nemend dat de lekkage het gevolg is van sabotage - in de vorm van een 46 cm lange zaagsnede aan de bovenzijde van de pijpleiding tussen de 10 en de 2 uur positie - en niet, zoals Milieudefensie c.s. primair stelt, van onvoldoende onderhoud (corrosie). Tegen die afwijzing en de onderliggende motivering richt zich het hoger beroep.

1.2

In dit tussenarrest worden, zoals ter comparitie met partijen besproken, alleen enkele deelaspecten van het geschil beoordeeld, te weten: (i) het hernieuwde exhibitieverzoek ex art. 843a Rv van Milieudefensie c.s.; (ii) de grieven tegen de (motivering van de) afwijzing van haar eerdere verzoek dienaangaande; (iii) de tegen die verzoeken door Shell gevoerde verweren en (iv) Shells grieven tegen de verwerping van een aantal van die verweren door de rechtbank. Laatstbedoelde verweren, die zich mede richten tegen de vorderingen in de hoofdzaken, gaan over de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter, de ontvankelijkheid van Milieudefensie en de ontvankelijkheid en vorderingsgerechtigdheid van Eric Dooh. Een ander (processueel) punt, dat Shell in hoger beroep aan de orde heeft gesteld, betreft de geldigheid van de appeldagvaardingen in zaak c. Dat punt wordt hierna als eerste besproken, vervolgens de andere verweren en tot slot de vordering ex art. 843a Rv. De beoordeling in dit arrest betreft dus de over en weer opgeworpen incidenten, maar heeft daarnaast ook betrekking op enkele aspecten die van belang zijn in de hoofdzaken.

1.3

Vooraf wordt genoteerd dat tussen partijen thans eenstemmigheid bestaat over het toepasselijke recht, in die zin dat de vorderingen, ook die tegen de moedervennootschap, moeten worden beoordeeld naar Nigeriaans recht, zijnde het recht van de staat waar (i) de lekkage zich heeft voorgedaan, (ii) de daarmee samenhangende schade zich heeft gemanifesteerd en (iii) SPDC, op wier doen en laten onvoldoende toezicht zou zijn gehouden, gevestigd is (vgl. het hier toepasselijke art. 3 Wet conflictenrecht onrechtmatige daad). In overeenstemming hiermee wordt in dit arrest uitgegaan van de toepasselijkheid van Nigeriaans recht. Een uitzondering - ook daarover zijn partijen het eens - geldt voor de procesrechtelijke kwesties, waarop Nederlands recht als lex fori van toepassing is (vgl. art. 10:3 BW). Bij enkele aspecten, zoals de wisseling van de concernleiding, is daarnaast het toepasselijke incorporatierecht van belang.

1.4

Een tweede overweging vooraf is dat de rechtbank de door Milieudefensie c.s. tevens genoemde lekkage(s) uit 2003 buiten beschouwing heeft gelaten en - ook in het kader van de vordering ex art. 843a Rv - alleen heeft geoordeeld over de hiervoor onder 1.1 bedoelde lekkage, die zich op 10 oktober 2004 openbaarde. Hoewel Milieudefensie c.s. daar in het kader van haar 3e grief bezwaar tegen lijkt te maken, is zij, na Shells reactie op die grief, bij gelegenheid van het nadien gehouden pleidooi hier niet meer op teruggekomen en heeft zij toen zonder voorbehoud gesteld - bij haar schets van de achtergrond van het geschil - dat de lekkage aan de pijpleiding bij Goi in 2004 optrad, wat weer aansluit bij haar eerdere stelling dat het in deze zaken gaat ‘om een...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT