Uitspraak Nº 200.191.988_01. Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2017-05-23

Datum uitspraak:2017/05/23
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Hertogenbosch
 
GRATIS UITTREKSEL
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.191.988/01

arrest van 23 mei 2017

in de zaak van

mr. Sebastiaan Maarten Marie van Dooren, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [Recycling] Recycling B.V.,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de curator,

advocaat: mr. D.C.M.H. Vielvoye te Eindhoven,

tegen

[Holding] Holding B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [Holding] ,

advocaat: mr. I.J.A.J. Hanssen te Boxmeer,

op het bij exploot van dagvaarding van 9 mei 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 20 april 2016, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch gewezen tussen de curator als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en [Holding] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/297705 / HA ZA 15-594)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven tevens houdende vermeerdering van eis (met vijf producties);

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep (met tien producties, de [producties A t/m J]);

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;

  • -

    het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd;

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3. De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.1. Het gaat in deze zaak om het volgende:

  1. Op 28 januari 2014 is [Recycling] Recycling B.V. (verder: [Recycling] ) in staat van faillissement verklaard, met benoeming van de curator als zodanig. [Recycling] maakte deel uit van de [Groep] . [Beheer] BV was de moedermaatschappij van [Recycling] en [Holding] is de holdingmaatschappij van [Beheer] BV.

  2. [Holding] was de eerste pandhouder van de bedrijfsuitrusting en voorraden van [Recycling] en de tweede pandhouder van de bestaande en toekomstige vorderingen van [Recycling] op derden. Voormelde pandrechten berustten op een stampandakte d.d. 31 december 2010. De eerste pandhouder van de vorderingen, ABN AMRO Commercial Finance N.V. (verder: de bank), is inmiddels voldaan.

  3. [Recycling] heeft in 2012 met [Supply & Trading] Supply & Trading Netherlands B.V. (verder: [Supply & Trading] ) een koop/verkoopovereenkomst gesloten met betrekking tot houtsnippers. [Recycling] had uit dien hoofde nog € 313.760,80 te goed van de rechtsopvolgster van [Supply & Trading] , te weten [Energie Productie] B.V. (verder: EEP).

  4. In de overeenkomst tussen [Supply & Trading] als koper en [Recycling] als verkoper (DDP Agreement for the purchase and delivery of woodchips, prod. 3 akte [Holding] 19 augustus 2015) is onder meer het volgende bepaald:
    16. Assignment
    16.1 Right to assign to third party
    Except as otherwise expressly provided in this article 16, neither Party shall be entitled to assign its rights and obligations under the Agreement to an third party without prior written consent of the other Party.
    16.2 Right to assign to Affiliate
    Buyer shall be entitled to assign its rights and obligations under the agreement to an existing entity within the [group] or [Supply & Trading] group without the prior written consent of Seller.”

  5. Bij brief van 13 februari 2014 heeft de curator EEP verzocht het uit de overeenkomst inzake de houtsnippers verschuldigde bedrag te voldoen aan de bank (de eerste pandhouder). Bij email van 18 februari 2014 (prod. 1 cva conv.) heeft de advocaat van EEP de curator gewezen op de hiervoor onder d gerelateerde bepaling in de overeenkomst, gesteld dat EEP nimmer toestemming tot verpanding van de vordering heeft gegeven en te kennen gegeven dat EEP daarom niet tot betaling aan de bank bereid was en aangegeven dat hij wilde vernemen op welke wijze EEP de openstaande vorderingen bevrijdend zou kunnen betalen.

  6. De curator heeft hierop aan de advocaat van EEP bericht dat het verschuldigde kon worden overgemaakt op de faillissementsrekening van [Recycling] en dat EEP aldus bevrijdend kon betalen. De vordering van de bank was op dat moment reeds voldaan uit de incassering van verpande handelsvorderingen en [Holding] (tweede pandhouder) gaf daaraan haar medewerking. [Holding] is met de curator overeengekomen dat het door EEP betaalde bedrag door de curator zou worden “geparkeerd” en zonder verrekening of inhouding aan haar zou worden doorbetaald zodra, kort samengevat, zou komen vast te staan dat zij het gelijk aan haar zijde zou hebben ten aanzien van haar standpunt dat het beding van art. 16 van de overeenkomst tussen [Recycling] en [Supply & Trading] (hiervoor gerelateerd onder d) aan het aan haar verleende tweede pandrecht niet in de weg stond en dat zij een geldig (tweede) pandrecht op de vordering van [Recycling] op EEP had verkregen.

  7. EEP heeft daarna op 9 april 2014 op de faillissementsrekening het door haar aan [Recycling] verschuldigde bedrag van € 313.760,80 voldaan.

3.1.2. [Holding] heeft in eerste aanleg in conventie veroordeling van de curator gevorderd tot...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT