Uitspraak Nº 200.254.525/01. Gerechtshof Den Haag, 2020-07-28

Datum uitspraak:2020/07/28
Uitgevende instantie::Gerechtshof Den Haag
 
GRATIS UITTREKSEL
GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.254.525/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/550256 / HA ZA 18-342

arrest van 28 juli 2020

inzake

[naam vof] V.O.F.,

gevestigd te Ede,

[vennoot 1],

Gwenda Priscilla [vennoot 2],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen: [de vof], [vennoot 1], [vennoot 2], en gezamenlijk (in meervoud) [de vof] c.s.,

advocaat: mr. S.G. Blasweiler te Ede,

tegen

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. G.M.C. Neuteboom-Klink te Den Haag.

Het geding
1.1

Bij exploot van 8 februari 2019 hebben [de vof] c.s. hoger beroep ingesteld tegen het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 december 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:14761). Bij memorie van grieven met producties hebben [de vof] c.s. acht grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht. [de vof] c.s. hebben vervolgens aanvullende producties in het geding gebracht. De grieven zijn door de Staat bij memorie van antwoord bestreden. Daarna hebben [de vof] c.s. nog een akte genomen, waarop de Staat bij antwoordakte heeft gereageerd. Partijen hebben de zaak op 2 juli 2020 door hun advocaten doen bepleiten tijdens een zitting die is gehouden via een videoverbinding. De advocaten hebben zich daarbij bediend van kort voor de zitting aan het hof toegezonden pleitnotities. Ten slotte is arrest bepaald.

1.2

Na het pleidooi hebben partijen op verzoek van het hof enkele in het overgelegde dossier ontbrekende stukken toegezonden. Aan de zijde van Staat gaat het daarbij om:

- de brief van de Inspectie voor de Gezondheidszorg aan [de vof] van 20 juni 2013;

- de brief van [de vof] aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg van 18 juli 2013.

Aan de zijde van [de vof] c.s. gaat het om in de processtukken genoemde producties die ontbraken in het overgelegde dossier, zoals het hof ter zitting heeft geconstateerd. Die stukken behoorden al tot het dossier en zullen in de beoordeling worden betrokken. Stukken die nog niet tot het dossier behoorden laat het hof buiten beschouwing, omdat de behandeling van de zaak op 9 juli 2020 al gesloten was, [de vof] c.s. niet hebben aangewezen wat de relevantie van die stukken is en de Staat daar niet meer op heeft kunnen reageren.

Beoordeling van het hoger beroep

2. Het hof gaat uit van de volgende feiten.

a. [de vof] is een zorginstelling die uiteenlopende vormen van zorg levert. [vennoot 1] en [vennoot 2] zijn de vennoten van [de vof].

Op 14 maart 2013 en 23 mei 2013 heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg (inmiddels de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd geheten, hierna te noemen: de Inspectie) een onaangekondigde inspectie uitgevoerd bij [de vof]. Bij brief van 20 juni 2013 heeft de Inspectie [de vof] haar bevindingen kenbaar gemaakt en geconcludeerd dat [de vof] niet in staat is tot het bieden van verantwoorde zorg. Bij brief van 18 juli 2013 heeft [de vof] gereageerd op de bevindingen van de Inspectie. Op 25 november 2013 heeft de Inspectie de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de Staatssecretaris) geadviseerd over te gaan tot sluiting van de instelling van [de vof]. Bij brief van 29 november 2013 heeft de Staatssecretaris zijn voornemen kenbaar gemaakt om [de vof] een aanwijzing op grond van artikel 8 van de destijds geldende Kwaliteitswet zorginstellingen (hierna: Kwz) te geven. [de vof] heeft vervolgens bij brief van 4 december 2013 haar schriftelijke zienswijze naar voren gebracht, waarna op 5 december 2013 een zienswijzegesprek heeft plaatsgevonden.

Na het zienswijzegesprek heeft de Inspectie op 12 december 2013 een (onaangekondigde) herinspectie uitgevoerd bij [de vof]. Na ontvangst van de bevindingen van deze herinspectie heeft de Staatssecretaris bij besluit van 20 december 2013 aan [de vof] een schriftelijke aanwijzing als bedoeld in artikel 8, eerste lid Kwz gegeven (hierna te noemen: de Aanwijzing). De Staatssecretaris overweegt in de Aanwijzing dat de bevindingen van de herinspectie hem geen redenen geven om van het voornemen tot het geven van een aanwijzing af te zien. De Staatssecretaris overweegt in de Aanwijzing, voor zover van belang:

“(…) Ik geef u daarom thans een aanwijzing op grond van artikel 8, eerste lid, van de Kwaliteitswet zorginstellingen, die luidt als volgt:

1. [de vof] zorgt dat alle in zorg zijnde cliënten per direct aantoonbaar worden overgedragen aan een andere zorgaanbieder. Aangezien cliënten recht hebben op een zorgvuldige overdracht aan een andere zorgaanbieder dient [de vof] deze overdracht zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen één maand na inwerkingtreding van dit besluit tot aanwijzing te hebben geregeld.

2. [de vof] dient alle cliënten binnen één maand na inwerkingtreding van dit besluit tot aanwijzing te informeren over deze aanwijzing.

3. [de vof] neemt met onmiddellijke ingang geen nieuwe cliënten meer aan.

4. Als [de vof] in de toekomst weer nieuwe cliënten wil aannemen zal [de vof] deze zorg pas weer mogen leveren indien na toetsing door de inspectie is vastgesteld dat [de vof] voldoet aan de vereisten van de Kwaliteitswet zorginstellingen.

(…)”

De Staatssecretaris heeft bepaald dat de Aanwijzing op 23 december 2013 in werking treedt. De Aanwijzing is per 23 december 2013 openbaar gemaakt, met in de adressering ook de namen van de vennoten van [de vof] ([vennoot 1] en [vennoot 2] ).

Naar aanleiding van de Aanwijzing is een bestuursrechtelijke procedure gevolgd die heeft geleid tot meerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Het procesverloop en de beslissingen van de Afdeling, alsmede de door de door de Staatssecretaris genomen besluiten zijn in het bestreden vonnis uitvoerig geciteerd (ECLI:NL:RBDHA:2018:14761). Voor de leesbaarheid van dit arrest volstaat het hof met een samenvatting.

Bij beslissing op bezwaar van 28 mei 2014 heeft de Staatssecretaris het bezwaar van [de vof] c.s. tegen de Aanwijzing ongegrond verklaard.

Op 16 juli 2015 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in het tegen de beslissing op bezwaar ingestelde beroep. Hoewel de rechtbank oordeelde dat de Staatssecretaris mocht afgaan op het rapport van de Inspectie, is de beslissing op bezwaar vernietigd omdat in de Aanwijzing geen concrete maatregelen zijn genoemd die [de vof] c.s. moesten nemen met het oog op de naleving van de Kwz.

De Staatssecretaris heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. [de vof] c.s. heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Op 24 augustus 2015 heeft de Staatssecretaris een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Het bezwaar is (opnieuw) ongegrond verklaard.

i. De Afdeling heeft op 13 juli 2016 een tussenuitspraak gedaan (hierna: de Eerste Tussenuitspraak) in het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling oordeelde dat de Staatssecretaris op het rapport van de Inspectie mocht afgaan en dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat [de vof] c.s. geen aanknopingspunten naar voren hebben gebracht die leiden tot twijfel aan de juistheid van de hoofdlijn van het rapport, namelijk dat [de vof] niet in staat is verantwoorde zorg te verlenen. Het besluit om [de vof] met haar gehele exploitatie te laten stoppen berustte naar het oordeel van de Afdeling op een rechtens toereikende grondslag. De Afdeling overwoog evenwel ook dat artikel 8, tweede lid, van de Kwz met zich brengt dat het aan de Staatssecretaris is een helder, eenduidig overzicht op te stellen van de door [de vof] te herstellen tekortkomingen. De Aanwijzing is daarom op dit punt gebrekkig geoordeeld. De Afdeling oordeelde voorts dat de Staatssecretaris op goede gronden heeft besloten de namen van de vennoten van [de vof] bekend te maken.

Op 4 oktober 2016 heeft de Staatssecretaris ter uitvoering van de Eerste Tussenuitspraak een (tweede) nieuwe beslissing op bezwaar genomen (hierna: het Besluit van 4 oktober 2016). In het Besluit van 4 oktober 2016 heeft de Staatssecretaris het bezwaar tegen de Aanwijzing gegrond verklaard, voor zover is verzuimd concreet te maken op welke punten [de vof] haar zorg diende te verbeteren voordat zij weer zorg kan verlenen. In het Besluit van 4 oktober 2016 heeft de Staatssecretaris de formulering van de tekortkomingen op basis waarvan de Aanwijzing is gegeven, geconcretiseerd en bepaald dat [de vof] weer zorg zal mogen verlenen als zij alle in het Besluit van 4 oktober 2016 genoemde tekortkomingen naar tevredenheid van de Inspectie heeft hersteld. Voor het overige heeft de Staatssecretaris het bezwaar ongegrond verklaard.

In het besluit van 4 oktober 2016 is de Staatssecretaris ook ingegaan op de vraag of hij nog bevoegd is een aanwijzing te geven, aangezien vanaf 1 januari 2015 verschillende wijzigingen in de zorgwetgeving hebben plaatsgevonden.

Op 5 april 2017 heeft de Afdeling een tweede tussenuitspraak gedaan in het hoger beroep met betrekking tot de Aanwijzing (hierna: de Tweede Tussenuitspraak). In verband met het besluit van 4 oktober 2016 heeft de Afdeling, voor zover van belang voor dit geschil...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT