Uitspraak Nº 200.268.973/01. Gerechtshof Amsterdam, 2020-02-18

Datum uitspraak:18 februari 2020
Uitgevende instantie::Gerechtshof Amsterdam
 
GRATIS UITTREKSEL
GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.268.973/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam: 7798342 EA VERZ 19-385

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 februari 2020

inzake

Stichting Regionaal Opleidingen Centrum van Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. S.E.H. van Thoor te Haarlem,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J. Nijssen te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna het ROC en [geïntimeerde] genoemd.

Het ROC is bij beroepschrift met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 8 november 2019, onder aanvoering van zeven grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) op 23 augustus 2019 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven. Het beroepschrift strekt ertoe, zakelijk weergegeven, dat het hof de genoemde beschikking zal vernietigen en primair de arbeidsovereenkomst tussen het ROC en [geïntimeerde] met toepassing van artikel 7:671b lid 8 aanhef en onderdeel b BW (oud) op de kortst mogelijke termijn zal ontbinden op grond van verwijtbaar handelen, zonder toekenning van een transitievergoeding en subsidiair de arbeidsovereenkomst tussen het ROC en [geïntimeerde] op grond van een verstoorde arbeidsrelatie zal ontbinden, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties.

Op 3 januari 2019 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep van [geïntimeerde] ingekomen, inhoudende het verzoek primair de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

Subsidiair – voor het geval het hof aan zou nemen dat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie en de arbeidsovereenkomst op die grond ontbindt – verzoekt [geïntimeerde] om toekenning van een billijke vergoeding, naast de wettelijke transitievergoeding. Meer subsidiair meent [geïntimeerde] in geval van ontbinding aanspraak te kunnen maken op de wettelijke transitievergoeding, met veroordeling van het ROC in de kosten van de procedure in beide instanties.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 15 januari 2020. Bij die gelegenheid heeft het ROC door mr. Van Thoor voornoemd en [geïntimeerde] door mr. Nijssen voornoemd het woord gevoerd ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Partijen hebben inlichtingen verschaft.

Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten en is uitspraak bepaald.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking onder 1.1. t/m 1.11. een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daarover bestaat geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Die feiten behelzen, samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet (voldoende) betwist zijn komen vast te staan, het volgende.

2.1

[geïntimeerde] , geboren [in] 1984 en nu dus 35 jaar oud, is sinds 1 augustus 2009 in dienst van het ROC als docente Nederlands/mentor. Het salaris bedraagt € 3.184,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten. De omvang van het dienstverband is 32 uur (werktijdfactor 0,8).

2.2

Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor middelbaar beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (cao mbo) van toepassing.

2.3

Onderdeel van de werkzaamheden van [geïntimeerde] is het organiseren en uitvoeren van excursies met studenten. Ten behoeve van de uitvoering van deze werkzaamheden heeft [geïntimeerde] regelmatig kosten voor (onder meer) boodschappen, reizen en overige kosten gedeclareerd.

2.4

In het declaratiebeleid van het ROC dat op 18 december 2017 door de Colleges van Bestuur is vastgesteld (hierna: het declaratiebeleid) staat dat vrijwel alle declaraties door de werknemer zelf in het personeelsinformatiesysteem kunnen worden ingevoerd. Bewijsstukken behorende bij de declaraties kunnen worden ge-upload in het systeem. Daarbij dient een werknemer te verklaren dat hij/zij die declaratie naar waarheid heeft ingevuld.

2.5

In het declaratiebeleid staat dat bedragen lager dan € 500,- zonder goedkeuring en controle vooraf worden uitbetaald. Controle op declaraties vindt achteraf plaats onder het motto ‘high trust, low tolerance’.

Controles achteraf gebeuren steekproefsgewijs, een keer per drie tot vier maanden. [geïntimeerde] is in deze steekproefsgewijze controles nooit eerder ‘opgevallen’.

2.6.

Artikel 8.4 van het declaratiebeleid vermeldt met betrekking tot ‘intermediaire kosten’:

‘Intermediaire kosten zijn kosten die de werknemer voorschiet namens de werkgever. Het zijn kosten die samenhangen met de bedrijfsvoering en niet met de persoon van de werknemer. De daadwerkelijk gemaakte kosten worden vergoed.’

In artikel 8.4.1 is vermeld dat onder intermediaire kosten onder andere vallen: vergaderkosten, teambuilding, attenties/relatiegeschenken, kantoor- /schoolmateriaal, leer- en hulpmiddelen en excursies.

Artikel 9.2 van het declaratiebeleid vermeldt met betrekking tot ‘controle declaraties’ onder andere:

‘Wanneer duidelijk is dat de werknemer met opzet foutieve declaraties indient behoudt de werkgever zich het recht voor om, naast de terugvordering van het teveel betaalde, nog de volgende maatregelen te treffen:

(…)

2. De werkgever kan overgaan tot ontslag (hoofdstuk 7 Burgerlijk Wetboek)

(…)’

2.7

Op 22 maart 2019 heeft het ROC [geïntimeerde] schriftelijk bevestigd dat zij op 21 maart 2019 was geschorst met behoud van salaris. De reden was dat er twijfels waren gerezen over door haar ingediende declaraties en [geïntimeerde] een aantal daarvan niet had kunnen...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT